ECLI:NL:CRVB:2010:BN8391
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, die sinds 2000 wegens lichamelijke en psychische klachten niet volledig kon werken, kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering van 45-55%, later verhoogd naar 80-100% na diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis. Het UWV herzag haar uitkering in 2005 naar 65-80% arbeidsongeschiktheid, gebaseerd op medisch en arbeidskundig onderzoek, waarbij werd aangenomen dat zij 20 uur per week licht niet-stresserend werk kon verrichten.
Appellante maakte bezwaar tegen deze herziening, stellende dat zij volledig arbeidsongeschikt was. Deskundigen, waaronder psychiater Kazemier en bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek, onderzochten haar situatie uitvoerig. Kazemier concludeerde dat appellante beperkingen had, maar dat zij, ondanks haar borderline persoonlijkheidsstoornis, in staat was tot beperkte arbeid, mits rekening gehouden werd met haar psychosociale context.
De rechtbank volgde het deskundigenoordeel en verklaarde het bezwaar ongegrond. Appellante ging in hoger beroep, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad vond onvoldoende aanwijzingen dat appellante volledig arbeidsongeschikt was of dat de Functionele Mogelijkheden Lijst onvoldoende rekening hield met haar beperkingen. Ook werd vastgesteld dat haar thuissituatie en gezinsverplichtingen niet zodanig waren dat zij niet zou kunnen werken.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht had vastgesteld dat appellante duurzaam benutbare mogelijkheden had en dat de herziening van haar WAO-uitkering naar 65-80% arbeidsongeschiktheid correct was. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet volledig arbeidsongeschikt is en handhaaft de herziening van haar WAO-uitkering naar 65-80%.