ECLI:NL:CRVB:2010:BN8420

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4305 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende cognitieve beperkingen

Appellante, die sinds 1997 een WAO-uitkering ontvangt vanwege arbeidsongeschiktheid, kreeg deze uitkering in 2007 ingetrokken door het UWV, omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen. De rechtbank benoemde een revalidatiearts die concludeerde dat appellante op enkele punten zwaarder beperkt was dan eerder vastgesteld, maar geen urenbeperking adviseerde. De FML werd daarop aangepast.

In hoger beroep stelde appellante dat een nader neuropsychologisch onderzoek noodzakelijk was vanwege cognitieve beperkingen gerelateerd aan een herseninfarct in 1999. De Raad oordeelde echter dat de beschikbare medische gegevens geen steun boden voor deze claim en dat eerdere beoordelingen geen beperkingen op cognitief gebied aannamen. Er was geen aanleiding voor een aanvullend neuropsychologisch onderzoek.

De Raad stelde vast dat de aangepaste FML een juiste weergave bood van de mogelijkheden van appellante per 20 juni 2007, en dat zij in staat was de functies van productieplanner, werkvoorbereider, telefoniste, receptioniste en loketbediende te vervullen. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd wegens onvoldoende bewijs van cognitieve beperkingen.

Uitspraak

09/4305 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 1 juli 2009, 07/2122 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht, hoger beroep in gesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Severijn. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. A. Ruis.
II. OVERWEGINGEN
1. Op 16 december 1996 heeft appellante zich vanuit haar werkzaamheden als administratief medewerkster ziek gemeld in verband met schouderklachten. In aansluiting op het einde van de wachttijd, 15 december 1997, is aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
2.1. Bij besluit van 19 april 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, met ingang van 20 juni 2007 ingetrokken onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is gaan bedragen.
2.2. Bij besluit op bezwaar van 25 oktober 2007 is het besluit van 19 april 2007 gehandhaafd.
3.1. De rechtbank heeft aanleiding gezien zich nader te laten voorlichten door een deskundige, waartoe revalidatiearts dr. C.H. Emmelot werd benoemd. In zijn rapportage van 16 januari 2009 heeft Emmelot geconcludeerd dat appellante ten aanzien van enkele aspecten met betrekking tot dynamisch handelen en statische houdingen zwaarder beperkt moet worden geacht dan is weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 23 maart 2007. De deskundige heeft op grond van bevindingen evenwel geen aanleiding gezien een urenbeperking aan te bevelen. Overeenkomstig dat advies heeft de bezwaarverzekeringsarts op 10 februari 2009 de FML aangepast.
3.2. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de deskundige niet te volgen in zijn standpunt aangaande de belastbaarheid van appellante. Een urenbeperking is naar haar oordeel niet aan de orde. In de FML van 10 februari 2009 is in voldoende mate rekening gehouden met de beperkingen van appellante. De suggestie van de deskundige om een neuropsychologisch onderzoek te laten verrichten, is door de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat appellante in staat kan worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.
4. In hoger beroep voert appellante aan dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het advies van deskundige Emmelot dat de belastbaarheid ten gevolge van de cognitieve stoornissen door een nader neuropsychologisch onderzoek in kaart dient te worden gebracht. Bij appellante zijn enkele klachten aanwezig die mogelijk kunnen worden gekoppeld aan een herseninfarct in 1999. Deze klachten lijken haar belastbaarheid negatief te be?nvloeden zodat appellante, gelet op de noodzaak van een urenbeperking op basis van deze klachten, een dergelijk onderzoek ge?ndiceerd acht.
5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er onvoldoende aanleiding bestaat tot het verrichten van een (nader) neuropsychologisch onderzoek. Hiertoe overweegt de Raad dat de voorhanden medische gegevens geen steun bieden voor de claim van appellante dat zij op de datum in geding zodanig beperkt was in haar cognitief functioneren dat hiermee bij het opstellen van de FML rekening had moeten worden gehouden. De Raad stelt voorts vast dat het Uwv bij appellante ten gevolge van het herseninfarct in 1999 nimmer beperkingen heeft aangenomen. Over de beperkte gevolgen voor het cognitieve functioneren van appellante schreef verzekeringsarts A.A.J.B.M. Kurvers reeds in zijn rapport van 29 juli 1999. Bij een herbeoordeling in 2002 heeft verzekeringsarts P.A.J.M. Lieven vervolgens aangegeven dat volgens appellante van geheugen- en concentratiestoornissen geen sprake meer is.
5.3. Gelet op het vorenstaande vermag de Raad niet in te zien dat appellante is aangewezen op een urenbeperking op basis van (vermeende) cognitieve problematiek.
5.4. De Raad stelt verder vast dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de FML van 10 februari 2009 een onjuiste weergave biedt van de mogelijkheden van appellante op 20 juni 2007, zodat zij in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, te weten productieplanner, werkvoorbereider (Sbc-code 513010), telefoniste, receptioniste (Sbc-code 315120) en loketbediende (Sbc-code 316011), te vervullen.
5.5. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en R.C. Stam en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2010.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) M. Mostert
JL