ECLI:NL:CRVB:2010:BN9434
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- W. van den Brink
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-aangetoonde lening en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en kreeg tijdens een rechtmatigheidsonderzoek vragen over vier bedragen die op haar bankrekening waren bijgeschreven. Zij verklaarde deze bedragen als lening te hebben ontvangen en overhandigde een overeenkomst die echter alleen door de vermeende geldgever was ondertekend en pas na de ontvangst van de gelden was opgesteld.
Het College trok de bijstand vanaf 18 september 2006 in en vorderde de kosten van bijstand terug omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat het om leningen ging en zij haar inlichtingenplicht had geschonden door de bijschrijvingen niet te melden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat de leningsovereenkomst onvoldoende bewijs levert, mede omdat geen reële terugbetalingsverplichting is aangetoond en de vermeende geldgever verklaarde geen betalingen te hebben ontvangen. De bedragen moeten als inkomen worden beschouwd, waardoor appellante geen recht had op bijstand in de betreffende perioden. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd omdat de bedragen geen lening vormen en de inlichtingenplicht is geschonden.