ECLI:NL:CRVB:2010:BN9715
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering wegens twijfel oorzakelijk verband arbeidsongeschiktheid
Appellant, sinds 1990 arbeidsongeschikt verklaard, verzocht in 2006 om herkeuring vanwege toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het UWV weigerde aanvankelijk herziening, maar herzag dit na bezwaar wegens onvoldoende zorgvuldig onderzoek. Een nieuw rapport concludeerde toegenomen arbeidsongeschiktheid sinds 1 maart 2006.
Het UWV stelde echter dat herziening niet mogelijk was omdat de toename buiten de vijfjaarstermijn viel. De bezwaarverzekeringsarts stelde dat de toegenomen beperkingen per 1 april 2003 voortkwamen uit een andere oorzaak dan de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Raad oordeelt dat er twijfel bestaat over het oorzakelijk verband, mede omdat de bezwaarverzekeringsarts geen eigen medisch onderzoek verrichtte en het standpunt van de verzekeringsarts anders was. Deze twijfel komt appellant ten goede, waardoor herziening mogelijk is met een wachttijd van 52 weken vanaf 1 april 2003.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Raad vernietigt het besluit van het UWV en beveelt een nieuwe beslissing over de herziening van de WAO-uitkering met inachtneming van een wachttijd vanaf 1 april 2003.