ECLI:NL:CRVB:2010:BN9727
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na asbestmelding
Appellant werd door zijn werkgever ontslagen nadat hij betrokken was bij werkzaamheden waarbij asbest werd aangetroffen. Het UWV weigerde zijn WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid, stellende dat appellant verwijtbaar had gehandeld door asbestmelding aan de gemeente te doen voordat hij zijn werkgever informeerde en door het verwijderen van een lambrisering zonder instructie.
In hoger beroep stelde appellant dat hij niet zelf de melding aan de gemeente had gedaan en dat zijn leidinggevenden op de hoogte waren van de aanwezigheid van asbest. De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende feiten had vastgesteld en dat de verwijten niet konden worden bewezen. De Raad stelde vast dat er geen volgorde geldt voor het melden van asbest en dat de werkgever reeds bekend was met de situatie.
De Raad vernietigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat het UWV opnieuw moet beslissen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om de WW-uitkering te weigeren wegens verwijtbare werkloosheid wordt vernietigd en het UWV moet opnieuw beslissen.