ECLI:NL:CRVB:2010:BN9960
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag
Appellante, voormalig caissière, kreeg in 2001 een WAO-uitkering toegekend vanwege ernstige arbeidsongeschiktheid. In 2004 trok het UWV deze uitkering in, stellende dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Appellante maakte bezwaar en startte een juridische procedure. De rechtbank vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De Centrale Raad van Beroep vernietigde vervolgens dit vonnis voor zover de rechtsgevolgen werden gehandhaafd, vanwege een gebrek aan registratie van de verzekeringsarts die het medische oordeel had gegeven.
Na aanvullend onderzoek door een door de rechtbank ingeschakelde neuroloog en arbeidsdeskundige, concludeerde de Raad dat de medische en arbeidskundige onderbouwing van het besluit onvoldoende was. Appellante voerde aan dat het onderzoek door een arts in opleiding een gebrek vertoonde dat alleen in bezwaar hersteld kon worden, maar de Raad verwierp dit standpunt. De Raad oordeelde tevens dat de geselecteerde functies passend waren voor appellante, conform de geldende regelgeving.
De Raad wees het verzoek om aanvullende smartengeld af, omdat reeds een vergoeding was toegekend voor de lange duur van de procedure en geen nieuwe gronden waren aangevoerd. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, het bestreden besluit vernietigd, en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering en laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand.