ECLI:NL:CRVB:2010:BO0477
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R.H.M. Roelofs
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep inzake recht op bijstand en procesbelang
Appellant heeft bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en ontving een voorschot. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam stelde de aanvraag buiten behandeling en vorderde het voorschot terug. Na bezwaar verklaarde het College het recht op bijstand met ingang van 16 februari 2007. Appellant stelde beroep in tegen deze besluiten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit op de aanvraag niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang en verklaarde het beroep tegen de terugvordering buiten zitting niet-ontvankelijk. Appellant ging hiertegen in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring niet-ontvankelijk is omdat het appelverbod geldt, tenzij sprake is van evidente schending van fundamentele rechtsbeginselen, wat hier niet is aangetoond.
Verder bevestigt de Raad dat geen bijstand wordt verleend over perioden voorafgaand aan de aanvraagdatum, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. De door appellant aangevoerde omstandigheden worden niet als zodanig erkend. De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak van de rechtbank en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd tot kennisneming van het hoger beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring en bevestigt de eerdere uitspraak over het recht op bijstand.