ECLI:NL:CRVB:2010:BO1872
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij bijstandsintrekking
Appellant ontving bijstand tot juni 2006, die door het College werd herzien en teruggevorderd wegens verzwegen vermogen over de periode april 2004 tot februari 2006. Het besluit tot intrekking en terugvordering werd op 12 maart 2007 verzonden naar het laatst bekende adres van appellant, waar hij toen nog in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven.
Appellant was sinds juni 2007 niet meer op dat adres ingeschreven en verbleef in het buitenland. In 2009 werd vastgesteld dat appellant bijstand ontving in een andere gemeente, waarna beslag op de uitkering werd gelegd. Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van 2007, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet tijdig op de hoogte was gesteld vanwege verblijf in het buitenland. De Raad oordeelde dat het College aan haar bekendmakingsverplichting had voldaan door het besluit naar het laatst bekende adres te sturen, ook al was dit niet meer het juiste adres. Appellant had het College niet geïnformeerd over de adreswijziging. Daarom was de termijn voor bezwaar ruim overschreden zonder verschoonbare reden.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding wordt bevestigd.