ECLI:NL:CRVB:2010:BO1872

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1582 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij bijstandsintrekking

Appellant ontving bijstand tot juni 2006, die door het College werd herzien en teruggevorderd wegens verzwegen vermogen over de periode april 2004 tot februari 2006. Het besluit tot intrekking en terugvordering werd op 12 maart 2007 verzonden naar het laatst bekende adres van appellant, waar hij toen nog in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven.

Appellant was sinds juni 2007 niet meer op dat adres ingeschreven en verbleef in het buitenland. In 2009 werd vastgesteld dat appellant bijstand ontving in een andere gemeente, waarna beslag op de uitkering werd gelegd. Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van 2007, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet tijdig op de hoogte was gesteld vanwege verblijf in het buitenland. De Raad oordeelde dat het College aan haar bekendmakingsverplichting had voldaan door het besluit naar het laatst bekende adres te sturen, ook al was dit niet meer het juiste adres. Appellant had het College niet geïnformeerd over de adreswijziging. Daarom was de termijn voor bezwaar ruim overschreden zonder verschoonbare reden.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding wordt bevestigd.

Uitspraak

10/1582 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende in Libanon (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2010, 09/5200 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 26 oktober 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Ruiter, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2010. Appellant is vertegenwoordigd door mr. Ruiter. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Tjen A Kwoei, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontving tot 21 juni 2006 van het College bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand, naar de norm voor een alleenstaande. Op grond van de bevindingen van een onderzoek naar door appellant verzwegen vermogen heeft het College bij besluit van 12 maart 2007 de bijstand van appellant over de periode van 15 april 2004 tot en met 27 februari 2006 herzien (lees: ingetrokken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 25.126,75 van appellant teruggevorderd. Het besluit is verzonden naar het door appellant opgegeven adres [adres 1] te [naam gemeente]. In de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [naam gemeente] stond appellant eveneens op dit adres ingeschreven. Met ingang van 18 juni 2007 is zijn inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie beëindigd.
1.2. In 2009 heeft het College vastgesteld dat appellant in de gemeente Enschede stond ingeschreven en daar bijstand ontving. Bij brief van 17 juni 2009 heeft het College appellant medegedeeld dat op grond van het besluit van 12 maart 2007 met ingang van 9 juni 2009 op zijn bijstandsuitkering beslag is gelegd. Vervolgens heeft appellant bij brief van 24 juni 2009 tegen het besluit van 12 maart 2007 bezwaar gemaakt. Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij wegens verblijf in het buitenland niet eerder van het besluit op de hoogte was.
1.3. Bij besluit van 30 september 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 12 maart 2007 niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 september 2009 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vangt de in artikel 6:7 vermelde Pro termijn van zes weken aan met ingang van de dag waarop dat besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 september 2009, LJN BJ7888, heeft het bestuursorgaan aan zijn bekendmakingsverplichting als bedoeld in artikel 3:41 van Pro de Awb voldaan als het besluit wordt verzonden naar het laatste bekende adres van betrokkene, ook al is dit niet meer het juiste adres van betrokkene en betrokkene heeft nagelaten het bestuursorgaan van de adreswijziging op de hoogte te stellen.
4.3. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat het College ten tijde van het besluit van 12 maart 2007 ermee bekend was dat hij niet meer op het door hem opgegeven adres [adres 1] te [naam gemeente] woonde. De bevindingen van het vermogensonderzoek bevatten naar het oordeel van de Raad slechts summiere aanwijzingen dat appellant daar mogelijk niet meer woonde. Daarnaast staat vast dat appellant het College niet op de hoogte heeft gesteld van een adreswijziging.
4.4. Nu het besluit van 12 maart 2007 is verzonden naar het op dat moment bij het College bekende adres van appellant, is de Raad van oordeel dat het besluit in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3:41 van Pro de Awb bekend is gemaakt. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op 13 maart 2007 een aanvang heeft genomen en dat de termijn door appellant ruimschoots is overschreden.
4.5. In hetgeen appellant heeft aangevoerd kan voorts geen grond worden gevonden voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb.
4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2010.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) C. de Blaeij.
HD