ECLI:NL:CRVB:2010:BO1986
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R.H.M. Roelofs
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand per 1 juli 2006 zonder deugdelijke grond onrechtmatig verklaard
Appellante ontving sinds 1998 bijstand als alleenstaande ouder. Het College zette de uitkering per 1 juli 2006 tijdelijk stop zonder besluit en trok deze bij besluit van 21 mei 2007 formeel in. In bezwaar handhaafde het College dit besluit, waarbij een nieuwe grondslag werd aangevoerd: het ontbreken van een bevredigend antwoord op de vraag hoe appellante zonder bijstand kon voorzien in haar levensonderhoud.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het College de intrekking niet had beperkt tot een bepaalde periode en dat de financiële situatie van appellante na 1 juli 2006 het gevolg was van de feitelijke stopzetting zonder besluit. De Raad oordeelde dat het College niet bevoegd was om na bezwaar een andere grondslag aan het besluit te verbinden en dat het intrekkingsbesluit berustte op een ondeugdelijk fundament.
De Raad vernietigde daarom het besluit van 27 augustus 2007 en herroept het besluit van 21 mei 2007 voor zover het de intrekking per 1 juli 2006 betreft. Tevens veroordeelde de Raad het College in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand per 1 juli 2006 wordt vernietigd en herroepen vanwege het ontbreken van een deugdelijke grondslag.