ECLI:NL:CRVB:2010:BO2840

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-117 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 WWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit UWV over einddatum WW-uitkering na herleving en ziekteperiode

Appellant stelde bezwaar tegen de vaststelling van de einddatum van zijn WW-uitkering na herleving. Het UWV had de uitkeringsperiode vastgesteld op twee jaar minus drie maanden na herleving, resulterend in een einddatum van 29 juli 2010. Dit was gebaseerd op artikel 43 van Pro de Werkloosheidswet zoals die destijds luidde.

De rechtbank 's-Hertogenbosch oordeelde dat het UWV op goede gronden had besloten en stelde de einddatum vast op 29 juli 2010. Appellant voerde aan dat de eerste drie maanden waarin hij ziekengeld ontving buiten beschouwing waren gelaten, waardoor de einddatum onterecht vervroegd was.

De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en stelde vast dat de wijziging in situatie door ziekteperiode rechtvaardigt dat die eerste drie maanden niet meetellen voor de herlevingsduur. De Raad oordeelde dat appellant geen recht kon ontlenen aan de oorspronkelijke einddatum van 31 oktober 2010 en bevestigde het besluit van het UWV. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: De einddatum van de WW-uitkering is terecht vastgesteld op 29 juli 2010, waarbij de eerste drie maanden ziekengeld buiten beschouwing zijn gelaten.

Uitspraak

10/117 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank `s-Hertogenbosch van 30 november 2009, 08/4434 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 3 november 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Op 9 september 2010 heeft appellant nog een aantal stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2010. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.G. de Jong.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is weergegeven. Die feiten vormen, gelet op de inhoud van de gedingstukken, ook voor de Raad uitgangspunt voor zijn beoordeling van het onderhavige geschil.
2. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit van 11 november 2008. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en stelt zich achter hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen. Ook naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv, gelet op artikel 43, eerste en tweede lid, van de Werkloosheidswet (WW), zoals dat artikel luidde ten tijde van belang, op goede gronden besloten dat de periode na herleving van de WW-uitkering twee jaar minus 3 maanden bedraagt. Hiervan uitgaande is de einddatum terecht op 29 juli 2010 gesteld.
3. Met betrekking tot hetgeen appellant tegen de vaststelling van die einddatum heeft aangevoerd merkt de Raad het volgende op. Aan het besluit van 15 december 2005, waarbij appellant een WW-uitkering is toegekend over de periode van 1 november 2005 tot en met 31 oktober 2008, heeft appellant wat de einddatum van de loongerelateerde en vervolguitkering betreft niet de door hem gestelde verwachtingen kunnen ontlenen. In dat besluit is expliciet vermeld dat appellant gedurende voormelde periode een loongerelateerde uitkering zou ontvangen indien er niets in zijn situatie zou veranderen. Nu in die situatie een wijziging is gekomen vanwege een ziekteperiode, zijn bij de vaststelling van de herlevingsduur de eerste drie maanden waarin ziekengeld werd ontvangen buiten beschouwing gelaten met als gevolg dat niet 31 oktober 2010 de einddatum van de WW-uitkering is maar 29 juli 2010.
Dat appellant dit ervaart als onrechtvaardig kan niet leiden tot een afwijking van de toepasselijke bepalingen, net zo min als het feit dat het Uwv aanvankelijk een onjuiste grondslag voor het bestreden besluit heeft gekozen.
4. Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010.
(get.) H.G. Rottier
(get.) P. Boer
RH