ECLI:NL:CRVB:2010:BO3280
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling WAO-uitkering 25-35% ondanks betwisting medische beperkingen
Appellant, die sinds september 1998 een WAO-uitkering ontvangt, betwistte de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% en voerde aan dat zijn medische beperkingen, met name psychische klachten, onderschat zijn. Hij stelde dat hij werk nodig heeft dat enige uitdaging biedt en affiniteit vereist om zijn klachten te voorkomen.
De rechtbank ’s-Hertogenbosch verklaarde het beroep ongegrond en vond geen aanleiding om te twijfelen aan het medische onderzoek en oordeel van de verzekeringsartsen. De rechtbank oordeelde dat appellant niet voldeed aan de ervaringseis voor de functie van textielproductenmaker en twijfelde aan zijn geschiktheid voor de functie assemblage medewerker A vanwege persoonlijk risico. Andere functies werden als passend beschouwd, wat de indeling in de klasse 25 tot 35% rechtvaardigt.
In hoger beroep heeft de Raad het standpunt van appellant dat hij verdergaand beperkt is niet gevolgd, omdat hij dit niet met objectieve medische gegevens heeft onderbouwd. De affiniteit met werk en de behoefte aan uitdaging zijn volgens de Raad geen beoordelingsaspecten voor de Functionele Mogelijkhedenlijst en de passendheid van functies. De Raad oordeelt dat de geduide functies passend zijn en wijst het verzoek om een onafhankelijk deskundige af.
De Raad veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant voor zowel beroep als hoger beroep, aangezien pas in hoger beroep de passendheid van functies voldoende is toegelicht.
Uitkomst: De WAO-uitkering van appellant wordt ongewijzigd vastgesteld op 25 tot 35% en het hoger beroep wordt afgewezen.