ECLI:NL:CRVB:2010:BO3420
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R. Kooper
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1983 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Na een controle kwam naar voren dat appellante en een andere persoon samen eigenaar waren van een perceel op een camping, wat leidde tot een onderzoek door sociaal rechercheurs van de Sociale Verzekeringsbank (Svb).
Uit het onderzoek, waaronder observaties, getuigenverklaringen en verhoren, bleek dat appellante en de ander vanaf 2002, maar in ieder geval vanaf januari 2003, een gezamenlijke huishouding voerden. De Svb beëindigde daarom het recht op nabestaandenuitkering per 31 januari 2003. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen door de Svb en later ook door de rechtbank.
In hoger beroep bevestigde de Raad de eerdere oordelen. De verklaringen van appellante en de andere betrokkene werden als betrouwbaar beoordeeld, en er was geen sprake van ongeoorloofde druk tijdens het verhoor. Het beroep op een ander voorbeeld van een lat-relatie werd verworpen omdat de situatie van appellante wezenlijk verschilde. De Raad bevestigde de beëindiging van de uitkering en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het recht op nabestaandenuitkering wordt beëindigd per 31 januari 2003 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.