ECLI:NL:CRVB:2010:BO3520
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijzondere bijstand voor niet-Nederlandse vreemdelingen zonder gelijkstelling
Appellante heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor legeskosten voor zichzelf en haar vier minderjarige kinderen. Het College van burgemeester en wethouders van Almere wees deze aanvraag af omdat appellante en haar kinderen geen Nederlander zijn en niet met een Nederlander worden gelijkgesteld op grond van de WWB.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat er sprake was van een voorliggende voorziening en dat appellante geen rechthebbende vreemdeling was. In hoger beroep vernietigt de Raad de uitspraak van de rechtbank omdat deze niet was gebaseerd op de juiste grondslag van het besluit. De Raad stelt vast dat de artikelen 11 en 16 van de WWB zowel op algemene als bijzondere bijstand van toepassing zijn.
De Raad oordeelt dat appellante en haar kinderen geen recht hebben op bijstand omdat zij niet als Nederlander worden beschouwd en niet met een Nederlander worden gelijkgesteld. De Raad wijst het beroep van appellante af en veroordeelt haar niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de afwijzing van bijzondere bijstand wordt ongegrond verklaard omdat zij en haar kinderen geen Nederlander zijn en niet met een Nederlander worden gelijkgesteld.