ECLI:NL:CRVB:2010:BO3700
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K. Zeilemaker
- M.C. Bruning
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging tenuitvoerlegging voorwaardelijk strafontslag wegens ernstig plichtsverzuim
Appellante trad in mei 1999 in dienst als tramconductrice bij het Gemeentelijk Vervoersbedrijf (GVB). In april 2005 werd haar een voorwaardelijk ontslag opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim, namelijk het gebruik van een mobiele telefoon tijdens de dienst. In maart 2006 vergat zij na haar dienst een geldcassette mee te nemen uit de tram, waarna een depottekort van €224,29 werd vastgesteld.
Het college besloot het voorwaardelijk ontslag ten uitvoer te leggen wegens dit onzorgvuldig depotbeheer. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde haar beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het plichtsverzuim haar niet of slechts verminderd kon worden toegerekend, mede vanwege medische omstandigheden. De Raad oordeelde dat de medische verklaringen geen uitsluitsel gaven over haar gemoedstoestand rond de feiten en dat zij niet onder behandeling was voor psychische klachten. Het college had naar het oordeel van de Raad alle belangen afgewogen en kon in redelijkheid tot tenuitvoerlegging van het strafontslag besluiten.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het voorwaardelijk strafontslag met proeftijd van twee jaar wordt bevestigd.