ECLI:NL:CRVB:2010:BO4119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit UWV tot weigering WW-uitkering wegens arbeidsurenverlies
Appellant was sinds 2000 gedeeltelijk arbeidsongeschikt en verrichtte thuiswerkzaamheden van circa 7,5 uur per week van juni 2004 tot januari 2005. Na het wegvallen van deze werkzaamheden ontving appellant geen WW-uitkering omdat het UWV oordeelde dat er geen relevant arbeidsurenverlies was. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep gegrond maar handhaafde het besluit vanwege het ontbreken van een arbeidsovereenkomst voor de thuiswerkzaamheden.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn gronden en verzocht om getuigenverhoor en vergoeding van schade en proceskosten. De Raad oordeelde dat het UWV de hoorplicht niet had geschonden, dat inzage in processtukken adequaat was geboden, en dat internationale verdragen geen aanleiding geven tot aanvullend onderzoek of pre-judiciële vragen. De Raad stelde vast dat appellant wel degelijk relevant arbeidsurenverlies had geleden door het wegvallen van de thuiswerkuren.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak, met aandacht voor wettelijke rente. Vergoeding van schade werd afgewezen. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee werd appellant alsnog in zijn recht gesteld ten aanzien van de WW-uitkering.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om de WW-uitkering te weigeren wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.