ECLI:NL:CRVB:2010:BO4301
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot kwijtschelding leenbijstand wegens niet-naleving aflossingsvoorwaarden
Appellante ontvangt sinds 1997 bijstand en kreeg in 2001 een terugvordering opgelegd vanwege ingetrokken bijstand over een eerdere periode. Het College legde beslag op haar uitkering, die deels werd afgelost. In 2002 verleende het College een lening voor woninginrichting, waarop een openstaande vordering resteert.
In 2007 werd het verzoek tot kwijtschelding van deze lening afgewezen omdat slechts zeven maandelijkse termijnen waren afgelost, terwijl het beleid kwijtschelding pas toestaat na 36 termijnen. Appellante stelde dat zij dacht dat de beslaglegging op haar uitkering diende voor aflossing van de lening en verwees naar haar psychiatrische problematiek.
De Raad oordeelt dat appellante redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de beslaglegging niet voor de lening was bestemd, mede omdat de lening pas na de beslaglegging werd toegekend. Er is geen bewijs voor een andere afspraak en appellante draagt zelf de verantwoordelijkheid om bij onduidelijkheden het College te raadplegen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die afwijking van het beleid rechtvaardigen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot kwijtschelding bevestigd.