ECLI:NL:CRVB:2010:BO4315
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen afwijzing WW-uitkering wegens termijnoverschrijding
Appellant maakte bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een WW-uitkering, maar diende dit bezwaar te laat in. Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens deze termijnoverschrijding. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat appellant niet in de gelegenheid was gesteld de termijnoverschrijding toe te lichten, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Tevens kende de rechtbank een beperkte proceskostenvergoeding toe.
In hoger beroep betoogde appellant dat de termijnoverschrijding wel verschoonbaar was en dat de proceskostenvergoeding te laag was vastgesteld. De Raad stelde vast dat appellant te laat bezwaar had gemaakt en dat de aangevoerde reden voor de termijnoverschrijding onvoldoende was om het verzuim te vergoelijken, omdat het oorspronkelijke besluit een bezwaarclausule bevatte en geen aanleiding gaf tot de veronderstelling dat bezwaar alleen mogelijk was met een geldige verblijfstitel.
De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard, maar dat de proceskostenvergoeding onjuist was vastgesteld. De Raad verhoogde de proceskostenvergoeding en veroordeelde het UWV tot betaling van deze kosten en het griffierecht. Het hoger beroep werd verder afgewezen.
Uitkomst: Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding; het hoger beroep wordt deels toegewezen voor proceskostenveroordeling.