ECLI:NL:CRVB:2010:BO4340

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1012 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep wegens gebrek aan procesbelang bij sollicitatieplicht WWB

Appellant ontving sinds 1998 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde hem een brede sollicitatieplicht op, maar verleende hem later voor zes maanden vrijstelling van deze plicht na bezwaar.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze vrijstelling ongegrond, omdat appellant geen inhoudelijke bezwaren tegen het besluit had en geen belangen werd geschaad. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij onterecht eerst na bezwaar werd vrijgesteld en dat hij reiskosten had gemaakt door sollicitaties.

De Raad overwoog dat alleen sprake is van voldoende procesbelang als het met het beroep beoogde resultaat daadwerkelijk kan worden bereikt en betekenis heeft voor appellant. Het belang van een principiële uitspraak over het moment van vrijstelling werd niet als voldoende procesbelang aangemerkt.

Omdat appellant geen bewijs van gemaakte reiskosten kon overleggen en geen inhoudelijk belang had bij het hoger beroep, verklaarde de Raad het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende procesbelang.

Uitspraak

09/1012 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 januari 2009, 08/2132 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 26 oktober 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.W. de Groote, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 09/1009, plaatsgevonden op 28 september 2010. Voor appellant is verschenen mr. B.B.A. Willering, advocaat te Amsterdam. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Carter, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
Na sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontving sinds 28 september 1998 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 14 januari 2008 heeft het College - voor zover hier van belang - aan appellant meegedeeld dat hij in het kader van zijn arbeidsverplichtingen zo breed mogelijk moet solliciteren, naar alle soorten werk die hij aankan.
1.2. Bij besluit van 17 april 2008 heeft het College - voor zover hier van belang - het bezwaar tegen het besluit van 14 januari 2008 gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat appellant voor een periode van zes maanden wordt vrijgesteld van de sollicitatieplicht.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 april 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellant geen inhoudelijke bezwaren heeft tegen het besluit van 17 april 2008 waarbij hem vrijstelling is verleend van de actieve sollicitatieplicht en dat in beroep slechts is gesteld dat het College hem reeds bij het primaire besluit vrijstelling van de actieve sollicitatieplicht had moeten verlenen. Appellant heeft evenmin gesteld dat hij door het besluit van 17 april 2008 in zijn belangen is geschaad.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat hij heeft moeten solliciteren naar functies terwijl hij dat achteraf niet had hoeven doen en in verband met het verschijnen op sollicitatiegesprekken reiskosten heeft gemaakt die nog nader door hem zullen worden gespecificeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting verklaard dat er geen bewijzen voor gemaakte reiskosten kunnen worden overgelegd en heeft erkend dat thans geen sprake is van enig procesbelang. Het zou appellant te doen zijn om rehabilitatie en daarom wordt gepersisteerd bij het ingestelde hoger beroep.
4.2. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat slechts sprake is van voldoende procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Zie onder meer de uitspraak van 8 augustus 2006, LJN AY6077.
4.3. Het belang van het verkrijgen van een principiële uitspraak ter zake van het feit dat het College appellant eerst na bezwaar van de sollicitatieplicht heeft ontheven, kan niet als een in rechte te honoreren belang worden aangemerkt.
4.4. De Raad is gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 van oordeel dat in dit geval niet aan een inhoudelijke beoordeling kan worden toegekomen, omdat appellant daarbij onvoldoende procesbelang heeft. Hiermee is gegeven dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van
J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2010.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) J. Waasdorp.
RB