ECLI:NL:CRVB:2010:BO6969
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening en terugvordering vergoeding huishoudelijke hulp door UWV
Appellante ontving sinds 1989 vergoedingen voor huishoudelijke hulp, aanvankelijk op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. UWV stelde bij besluit van 23 februari 2006 vast dat een deel van deze vergoeding onterecht was betaald en vorderde dit bedrag terug. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank werd het teruggevorderde bedrag verlaagd en de periode van terugvordering aangepast.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat UWV bevoegd was tot herziening en terugvordering van de vergoeding op grond van de Regeling Subsidies AWBZ en Ziekenfondswet en het algemeen rechtsbeginsel dat onverschuldigde betalingen kunnen worden teruggevorderd. De Raad stelde vast dat er geen sprake was van een hoorplicht bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar ter uitvoering van een eerdere uitspraak, tenzij uit zorgvuldigheidsoverwegingen anders vereist, wat hier niet het geval was.
Verder verwierp de Raad het beroep dat UWV te lang had gewacht met het nemen van het nieuwe besluit en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden, omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan. Het beroep van appellante werd ongegrond verklaard en het besluit van 12 mei 2010 werd bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit van UWV tot herziening en terugvordering wordt bevestigd.