ECLI:NL:CRVB:2010:BO7586

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-128 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het recht op ziekengeld na beëindiging van de uitkering

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad, waarin het beroep van appellante ongegrond werd verklaard. Appellante, die van april 2004 tot juni 2006 als champignonplukster werkte, meldde zich ziek op 25 oktober 2006 en ontving tot 18 juli 2007 een uitkering op basis van de Ziektewet (ZW). Na een periode van herstel ontving zij opnieuw een uitkering, maar meldde zich op 6 november 2007 opnieuw ziek. De verzekeringsarts oordeelde op 14 februari 2008 dat appellante geschikt was voor haar maatgevende arbeid, wat leidde tot een besluit van het Uwv dat appellante vanaf 14 februari 2008 geen recht meer had op ziekengeld.

Appellante ging in bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd gegrond verklaard, en het recht op ziekengeld werd per 18 maart 2008 beëindigd. De rechtbank oordeelde dat de door appellante overgelegde rapportage van psychologe Tosserams onvoldoende bewijs bood voor arbeidsongeschiktheid. De rechtbank concludeerde dat het Uwv terecht had geoordeeld dat appellante per 18 maart 2008 weer in staat was haar arbeid te verrichten.

In hoger beroep voerde appellante aan dat de psychologe bevestigde dat zij ziek was en niet in staat om te werken. De Raad voor de Rechtspraak oordeelde dat de eerdere conclusies van de verzekeringsartsen goed onderbouwd waren en dat er geen nieuwe medische gegevens waren die een ander oordeel rechtvaardigden. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellante niet in aanmerking kwam voor ziekengeld, omdat zij geschikt werd geacht voor haar arbeid. De Raad achtte geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

09/128 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 december 2008, 08/673 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 3 november 2010, alwaar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is van april 2004 tot en met juni 2006 werkzaam geweest als champignonplukster. Nadien ontving zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Op 25 oktober 2006 meldde zij zich vanuit die situatie ziek en vervolgens ontving zij tot 18 juli 2007 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Van 18 juli 2007 tot 6 november 2007 ontving appellante een uitkering ingevolge de Wet arbeid en zorg. Aansluitend heeft zij zich per 6 november 2007 opnieuw ziek gemeld.
1.2. Blijkens de rapportage van 6 februari 2008 van de verzekeringsarts P.L. van Hartingsveldt durfde appellante op die datum niet op zijn spreekuur te komen. Op basis van de medische gegevens uit het dossier en na telefonisch contact met appellante heeft de verzekeringsarts appellante per 14 februari 2008 geschikt geacht voor haar maatgevende arbeid. Op grond hiervan heeft het Uwv bij besluit van 18 februari 2008 aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 14 februari 2008 geen recht (meer) heeft op ziekengeld.
1.3. Bij besluit van 18 maart 2008 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 februari 2008, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts A. Laros van 18 maart 2008, gegrond verklaard en is het recht op ziekengeld per 18 maart 2008 beëindigd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de door appellante overgelegde rapportage van de psychologe T.J.E. Tosserams-Stroeken (gericht aan de huisarts) onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de stelling dat appellante als gevolg van psychische klachten per 18 maart 2008 arbeidsongeschikt moet worden geacht. Uit deze brief blijkt volgens de rechtbank dat bij appellante sprake is van angst en depressie, maar niet in welke mate de mogelijkheid van appellante om te functioneren in haar arbeid hierdoor zou worden beïnvloed. Zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts (die appellante heeft onderzocht) hebben zich op het standpunt gesteld dat de klachten van appellante met name psychosociaal van aard zijn, waardoor appellante niet kan worden aangemerkt als zijnde arbeidsongeschikt op medische gronden. De rechtbank heeft dan ook geconcludeerd dat het Uwv appellante terecht met ingang van 18 maart 2008 hersteld heeft geacht voor het verrichten van haar arbeid.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de door haar in beroep overgelegde brief van de psychologe Tosserams een geobjectiveerde bevestiging is van het bestaan van een ziekte per datum in geding en wel een ziekte in de zin van de ZW, waarmee zij niet in staat was te werken. Zij is van mening dat de bezwaarverzekeringsarts haar ziektebeeld ten onrechte heeft afgedaan als een psychosociaal probleem en dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts heeft gevolgd.
4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
4.1. Ingevolge artikel 19 van de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder ’zijn arbeid’ wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvraag van de arbeidsongeschiktheid feitelijk verrichte werk. Nu appellante laatstelijk werkzaam is geweest als champignonplukster, is deze functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt.
4.2. Met betrekking tot de door appellante aangevoerde medische gronden onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad hebben de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in hun rapportages op inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellante geschikt wordt geacht voor haar arbeid. In reactie op de door appellante overgelegde brief van de psychologe Tosserams heeft de bezwaarverzekeringsarts Laros in zijn rapportage van 15 september 2008 aangegeven dat daarmee de aard en het bestaan van de psychische klachten bij de reeds bekende psychosociale problematiek wordt bevestigd en dat appellante wordt geadviseerd zich aan te melden bij GGZ Meerkanten. In medische zin komen volgens de bezwaarverzekeringsarts geen nieuwe aspecten naar voren en geeft de genoemde brief geen aanleiding om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Gelet op de voorhanden medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad in zijn rapportages voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt dat appellante vanaf 18 maart 2008 in staat wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Nu appellante haar in hoger beroep herhaalde standpunt dat haar klachten van dien aard zijn dat zij niet in staat is haar arbeid te verrichten, ondanks de aankondiging daartoe, niet met nadere medische gegevens heeft onderbouwd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.
4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2010.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) M.D.F. de Moor.
NK