ECLI:NL:CRVB:2010:BO7586
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het recht op ziekengeld na beëindiging van de uitkering
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad, waarin het beroep van appellante ongegrond werd verklaard. Appellante, die van april 2004 tot juni 2006 als champignonplukster werkte, meldde zich ziek op 25 oktober 2006 en ontving tot 18 juli 2007 een uitkering op basis van de Ziektewet (ZW). Na een periode van herstel ontving zij opnieuw een uitkering, maar meldde zich op 6 november 2007 opnieuw ziek. De verzekeringsarts oordeelde op 14 februari 2008 dat appellante geschikt was voor haar maatgevende arbeid, wat leidde tot een besluit van het Uwv dat appellante vanaf 14 februari 2008 geen recht meer had op ziekengeld.
Appellante ging in bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd gegrond verklaard, en het recht op ziekengeld werd per 18 maart 2008 beëindigd. De rechtbank oordeelde dat de door appellante overgelegde rapportage van psychologe Tosserams onvoldoende bewijs bood voor arbeidsongeschiktheid. De rechtbank concludeerde dat het Uwv terecht had geoordeeld dat appellante per 18 maart 2008 weer in staat was haar arbeid te verrichten.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de psychologe bevestigde dat zij ziek was en niet in staat om te werken. De Raad voor de Rechtspraak oordeelde dat de eerdere conclusies van de verzekeringsartsen goed onderbouwd waren en dat er geen nieuwe medische gegevens waren die een ander oordeel rechtvaardigden. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellante niet in aanmerking kwam voor ziekengeld, omdat zij geschikt werd geacht voor haar arbeid. De Raad achtte geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.