ECLI:NL:CRVB:2010:BO8463
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- N.J.E.G. Cremers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld bij ontbreken gelijktijdige arbeid in loondienst en zelfstandige activiteiten
Appellant was tot 1 mei 2001 in loondienst als commercieel directeur, maar verrichtte vanaf begin oktober 2000 werkzaamheden als zelfstandige. Het UWV weigerde ziekengeld toe te kennen vanaf 1 mei 2001 omdat de inkomsten als zelfstandige het dagloon overtroffen.
De rechtbank oordeelde dat de inkomsten uit zelfstandige arbeid vanaf 9 oktober 2000 buiten beschouwing moesten blijven op grond van artikel 31, derde lid, ZW, omdat sprake zou zijn van gelijktijdige arbeid. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitleg en stelde dat de beleidsregel van het UWV onjuist was toegepast.
De Raad stelde vast dat feitelijk geen gelijktijdige arbeid werd verricht: appellant was sinds september 2000 niet meer belast met zijn werkzaamheden als directeur en had geen reëel perspectief op terugkeer. De arbeidsovereenkomst werd pas per 1 mei 2001 ontbonden, maar dit veranderde niets aan de feitelijke situatie.
Daarom is de rechtbank terecht uitgegaan van toepassing van artikel 31, derde lid, ZW en is het beroep van appellant ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd met gewijzigde motivering.
De Raad achtte geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van ziekengeld wordt bevestigd.