ECLI:NL:CRVB:2010:BO8864

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1727 WWB-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzet wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding griffierecht

Appellant heeft bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Vervolgens heeft appellant verzet ingesteld tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.

Tijdens de zitting van 29 november 2010 verscheen appellant met zijn advocaat, terwijl het College van Burgemeester en Wethouders van Rotterdam niet verscheen. De Raad overwoog dat het verzetschrift niet tijdig was ingediend en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigden, ook niet gelet op de communicatie tussen appellant en zijn advocaat.

De Raad concludeerde dat het verzet niet-ontvankelijk verklaard moest worden. Tevens werd overwogen dat het niet betalen van het griffierecht redelijkerwijs aan appellant of zijn gemachtigde kan worden toegerekend. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de kosten van het verzet.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij betaling van het griffierecht.

Uitspraak

10/1727 WWB-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 februari 2010, 09/2187 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 20 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 24 augustus 2010, in afschrift aan partijen gezonden op 31 augustus 2010, heeft de Raad het namens appellant door mr. M.N.R. Nasrullah, advocaat te Rotterdam, tegen de aangevallen uitspraak ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 24 augustus 2010 heeft appellant bij faxbericht van 15 oktober 2010 verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 29 november 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H. Halfers, advocaat te Rotterdam en kantoorgenoot van mr. Nasrullah. Het College is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 24 augustus 2010 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat (de gemachtigde van) appellant niet in verzuim is geweest.
De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzet. Vaststaat dat het verzetschrift niet tijdig is ingediend. De Raad is vervolgens van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Daargelaten hoe de communicatie tussen appellant en mr. Nasrullah precies is verlopen en of al dan niet sprake is geweest van een misverstand tussen appellant en mr. Nasrullah, de gevolgen hiervan zijn volgens rechtspraak in beginsel voor rekening van degene ten behoeve van wie het verzetschrift is ingediend. Van bijzondere omstandigheden die dwingen tot het maken van een uitzondering op dit beginsel, is niet gebleken.
Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de kosten van het verzet bestaat geen aanleiding.
Ten overvloede overweegt de Raad nog dat in hetgeen appellant in het verzetschrift heeft aangevoerd, geen grond is gelegen voor het oordeel dat het niet betalen van het griffierecht redelijkerwijs niet aan (de gemachtigde van) appellant kan worden verweten. De uitspraak van de Raad van 24 augustus 2010 is daarom juist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2010.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
NK