ECLI:NL:CRVB:2010:BO8869
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- M.I. ’t Hooft
- Rechtspraak.nl
Indicatiebesluit AWBZ met terugwerkende kracht bij bijzondere omstandigheden
De zaak betreft een hoger beroep van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam over een indicatiebesluit in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het besluit van CIZ vernietigd omdat het indicatiebesluit geen terugwerkende kracht had, terwijl bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding gaven.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de overwegingen van de rechtbank dat betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt voor het niet tijdig indienen van een vervolgindicatie en dat betrokkene gedurende de relevante periode AWBZ-zorg heeft genoten. CIZ voerde aan dat zorgbehoefte pas na afgerond onderzoek kan worden vastgesteld en dat een fout van het Zorgkantoor in een eerder besluit niet aan haar te wijten is.
De Raad oordeelt dat deze omstandigheden bijzondere gronden vormen om af te wijken van het uitgangspunt dat indicatiebesluiten geen terugwerkende kracht hebben. De Raad wijst erop dat het advies van het College voor Zorgverzekeringen ten onrechte een limitatieve opsomming geeft van uitzonderingen. Het besluit van 19 oktober 2007 moet worden aangepast met een ingangsdatum van 2 november 2006. De Raad bepaalt dat CIZ een nieuw besluit op bezwaar moet nemen en heft een griffierecht van € 447,-.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de indicatie met terugwerkende kracht vanaf 2 november 2006 moet worden toegekend en bepaalt dat CIZ een nieuw besluit neemt.