ECLI:NL:CRVB:2010:BO9034
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning burger-oorlogsslachtoffer op grond van onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellante, geboren in januari 1948 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht in oktober 2008 om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een uitkering op grond van de Wubo. Zij baseerde haar aanvraag op gezondheidsklachten die zij toeschreef aan huiszoekingen door Indonesiërs gericht tegen haar vader en gezin tijdens de Bersiap-periode.
Verweerster wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat appellante zelf direct getroffen was door oorlogsgeweld zoals vereist in artikel 2 van Pro de Wubo. De Raad stelde vast dat de huiszoekingen niet tegen appellante waren gericht en niet gepaard gingen met excessief fysiek geweld. Ook in de dossiers van haar ouders was hiervan geen melding.
De Raad benadrukte dat erkenning als burger-oorlogsslachtoffer alleen mogelijk is bij directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld en dat psychische klachten van de tweede generatie niet in aanmerking komen. Het beroep van appellante werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt afgewezen.