ECLI:NL:CRVB:2010:BO9100
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Appellant, erkend als vervolgingsslachtoffer vanwege internering tijdens de Japanse bezetting, verzocht om een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. De Pensioen- en Uitkeringsraad weigerde deze uitkering, stellende dat de psychische en lichamelijke klachten van appellant niet het gevolg zijn van de internering.
Appellant voerde aan dat hij al 50 jaar rugklachten heeft die wel verband houden met zijn internering en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was. De Raad heeft het medisch dossier en de adviezen van de geneeskundig adviseurs van verweerster zorgvuldig bestudeerd en vond geen aanleiding om aan hun conclusies te twijfelen.
De medische beoordeling concludeerde dat de rugklachten het gevolg zijn van een constitutionele scoliose en slijtage, niet van de internering. Ook de huisarts van appellant kon geen objectief causaal verband aantonen. De Raad oordeelde dat het beroep ongegrond is en wees een vergoeding van proceskosten af.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 16 december 2010.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een periodieke uitkering wordt ongegrond verklaard.