ECLI:NL:CRVB:2010:BO9527
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- K.J. Kraan
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot toewijzing luitenantsfunctie wegens ontbreken nieuw feiten
Appellant, werkzaam bij de Koninklijke Landmacht als adjudant-onderofficier, solliciteerde op 26 juni 2006 naar een luitenantsfunctie (functie B). Na een gesprek op 19 december 2006 werd hem mondeling medegedeeld dat hij niet in aanmerking kwam voor deze functie. Appellant vroeg daarop om verlenging van zijn huidige functie, welke werd toegekend.
Op 28 maart 2007 verzocht appellant alsnog om toewijzing van de luitenantsfunctie of een gelijksoortige functie met terugwerkende kracht per 1 oktober 2006. Dit verzoek werd bij besluit van 10 juli 2007 afgewezen en na bezwaar gehandhaafd op 26 juni 2008. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, omdat het verzoek moest worden gezien als een poging om terug te komen op een in rechte vaststaand besluit zonder dat sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden.
In hoger beroep bevestigde de Raad deze uitspraak. De Raad overwoog dat appellant reeds op 19 december 2006 definitief op de hoogte was van de afwijzing en dat de termijn voor bezwaar toen is gaan lopen. De e-mail van 11 januari 2007 was geen nieuw besluit, maar een herhaling van de eerdere afwijzing. Ook het bezwaar per e-mail van 15 januari 2007 betrof geen rechtsmiddel tegen de afwijzing. Appellant heeft de wettelijke termijn voor bezwaar niet benut en berust in de afwijzing.
De Raad concludeerde dat het rekest moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen op het in rechte vaststaande besluit en dat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die herziening rechtvaardigen. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van het verzoek tot toewijzing van de luitenantsfunctie wordt bevestigd.