ECLI:NL:CRVB:2010:BO9527

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-3416 MAW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:1 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toewijzing luitenantsfunctie wegens ontbreken nieuw feiten

Appellant, werkzaam bij de Koninklijke Landmacht als adjudant-onderofficier, solliciteerde op 26 juni 2006 naar een luitenantsfunctie (functie B). Na een gesprek op 19 december 2006 werd hem mondeling medegedeeld dat hij niet in aanmerking kwam voor deze functie. Appellant vroeg daarop om verlenging van zijn huidige functie, welke werd toegekend.

Op 28 maart 2007 verzocht appellant alsnog om toewijzing van de luitenantsfunctie of een gelijksoortige functie met terugwerkende kracht per 1 oktober 2006. Dit verzoek werd bij besluit van 10 juli 2007 afgewezen en na bezwaar gehandhaafd op 26 juni 2008. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, omdat het verzoek moest worden gezien als een poging om terug te komen op een in rechte vaststaand besluit zonder dat sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden.

In hoger beroep bevestigde de Raad deze uitspraak. De Raad overwoog dat appellant reeds op 19 december 2006 definitief op de hoogte was van de afwijzing en dat de termijn voor bezwaar toen is gaan lopen. De e-mail van 11 januari 2007 was geen nieuw besluit, maar een herhaling van de eerdere afwijzing. Ook het bezwaar per e-mail van 15 januari 2007 betrof geen rechtsmiddel tegen de afwijzing. Appellant heeft de wettelijke termijn voor bezwaar niet benut en berust in de afwijzing.

De Raad concludeerde dat het rekest moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen op het in rechte vaststaande besluit en dat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die herziening rechtvaardigen. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van het verzoek tot toewijzing van de luitenantsfunctie wordt bevestigd.

Uitspraak

09/3416 MAW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 april 2009, 08/4955 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Commandant Landstrijdkrachten (hierna: commandant)
Datum uitspraak: 23 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De commandant heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. T.H. ten Wolde, advocaat te Utrecht. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Verdonk, werkzaam bij het ministerie van Defensie.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant is werkzaam bij de koninklijke landmacht. Ten tijde van belang vervulde hij de functie van [naam functie A] in de rang van adjudant-onderofficier. Appellant heeft op 26 juni 2006 gesolliciteerd naar de functie van [naam functie B] (hierna: [functie B]). Dit betrof een luitenantsfunctie voor een zogenoemde uitloop-officier.
1.2. Op 19 december 2006 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen appellant en de monitor, majoor [naam majoor], waarbij aan appellant een functie bij 102 EOVCie is aangeboden. Bij e-mail van 21 december 2006 heeft appellant laten weten geen gebruik te maken van dit aanbod. In plaats daarvan heeft hij per 1 maart 2007 om verlenging gevraagd van de functieduur van zijn huidige functie.
1.3. Op 11 januari 2007 heeft appellant een e-mail ontvangen van de monitor, waarin hem is meegedeeld dat invulling kan worden gegeven aan zijn verzoek om verlenging van de functieduur met een jaar. Tevens is daarin het volgende meegedeeld: “In het verleden heb je je belangstelling aangegeven voor een uitloop luitenant functie. Je voldoet momenteel niet aan de eisen om in aanmerking te komen voor een bevordering tot luitenant. Door te verlengen maak je geen gebruik van de mogelijkheid om je ervaringsopbouw te verbreden. Zonder verbreding in de ervaringsopbouw blijf je niet voldoen aan de voorwaarde voor bevordering. Zodra het verzoek om verlenging binnen is zal mijn opvolger e.e.a. in orde maken.”
1.4. Op 15 januari 2007 heeft appellant een e-mail gezonden aan de nieuwe monitor, majoor [naam majoor B]. Daarin heeft hij in reactie op de e-mail van 11 januari 2007 aangegeven, bezwaar te maken tegen de alinea waarin staat dat hij niet voldoende ervaringsopbouw zou hebben voor een functie als luitenant. Onder verwijzing naar zijn bijgevoegde CV heeft hij gesteld reeds te voldoen aan de ervaringsopbouw. De nieuwe monitor heeft bij e-mail van 15 januari 2007 als volgt geantwoord: “Point taken. Ik heb uw mailbericht bij uw dossier gevoegd en zal het te zijner tijd meenemen, zodra dat relevant wordt. U zult begrijpen dat ik vooralsnog niet goed genoeg in de materie zit om de discussie al aan te gaan. Uw standpunt is in elk geval duidelijk.”
1.5. De functie van [functie B] is per 5 februari 2007 toegewezen aan een regulier (KMA-)opgeleide officier. De functieduur van appellant is verlengd.
1.6. Bij rekest van 28 maart 2007 heeft appellant verzocht om toewijzing van de luitenantsfunctie van [functie B], of een gelijksoortige functie binnen het functiegebied Inlichtingen en Veiligheid, per 1 oktober 2006. Ter toelichting heeft appellant vermeld dat hij op 26 juni 2006 heeft gesolliciteerd op deze functie en dat hij op 11 januari 2007 een schriftelijke afwijzing heeft ontvangen op een onterechte afwijzingsgrond; dit heeft rekestrant kenbaar gemaakt in het antwoord aan de monitor, aldus appellant.
1.7. Bij besluit van 10 juli 2007 is afwijzend beslist op het rekest. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 26 juni 2008 (hierna: bestreden besluit).
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij, kort samengevat, overwogen dat nu appellant geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de afwijzing van zijn sollicitatie, die afwijzing in rechte vaststaat. Het rekest van appellant moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit tot afwijzing. De argumenten die appellant heeft aangevoerd steunen echter niet op nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, zodat de commandant het verzoek heeft mogen afwijzen, aldus de rechtbank.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.
3.1. Partijen hebben verschillende standpunten ingenomen over de vraag, wanneer appellant definitief heeft vernomen dat zijn sollicitatie naar de functie [functie B] was afgewezen. De Raad acht voldoende aannemelijk dat in ieder geval tijdens het gesprek van 19 december 2006 met de toenmalige monitor definitief aan appellant te verstaan is gegeven dat hij niet voor die functie in aanmerking kwam. De Raad baseert dit oordeel hierop, dat appellant tijdens dat gesprek een andere functie kreeg aangeboden dan die waarnaar hij had gesolliciteerd, en dat appellant dat aanbod vervolgens heeft afgewezen, en in plaats daarvan om functieverlenging heeft gevraagd. De op 19 december 2006 gedane mondelinge mededeling dat appellant niet voor de geambiëerde functie in aanmerking kwam dient naar het oordeel van de Raad op grond van artikel 8:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden gelijkgesteld met een besluit. Appellant had daartegen binnen de wettelijke termijn van zes weken bezwaar kunnen maken.
3.2. In het verlengde hiervan ziet de Raad de e-mail van 11 januari 2007 niet als een besluit tot afwijzing van appellants sollicitatie, maar hooguit als een (niet voor afzonderlijk bezwaar vatbare) herhaling van de eerdere mondelinge afwijzing. De strekking van dat bericht was immers slechts de waarschuwing dat de gevraagde verlenging van functieduur niet zou bijdragen aan de voor doorstroming naar een luitenantsfunctie vereiste ervaringsopbouw.
3.3. In de e-mail van appellant van 15 januari 2007 kan de Raad geen bezwaarschrift lezen tegen de afwijzing van appellant voor de door hem geambieerde functie. Het bericht behelst immers slechts een bezwaar tegen de waarschuwende alinea uit het bericht van 11 januari 2007, inhoudend dat appellant door de functieverlenging geen gebruik maakt van de mogelijkheid om zijn ervaringsopbouw te verbreden. Dat ook de geadresseerde, de nieuwe monitor, de e-mail van appellant niet als bezwaarschrift opvatte, heeft appellant zonneklaar kunnen opmaken uit diens per omgaande verzonden e-mail. Als appellant werkelijk met zijn e-mail van 15 januari 2007 beoogde een rechtsmiddel in te stellen, is niet goed te plaatsen dat appellant geen aanleiding heeft gezien de monitor er naar aanleiding van diens e-mail op te wijzen, dat deze een bezwaarschrift over het hoofd had gezien.
3.4. Appellant heeft ter zitting van de Raad verklaard, dat hij aanvankelijk nog geen reden had om voluit bezwaar te maken, omdat hij er tot kort voor het aantreden van de wel geselecteerde kandidaat, op 5 februari 2007, rekening mee hield dat deze niet zou slagen voor een nog af te leggen examen, en dat appellant zelf in dat geval alsnog de functie toegewezen kon krijgen. De Raad moet echter vaststellen, dat appellant ook na het slagen van betrokkene en diens aantreden in de nieuwe functie geen aanleiding heeft gezien alsnog bezwaar te maken tegen zijn afwijzing voor de functie.
3.5. De Raad concludeert, dat zelfs indien zou worden aangenomen dat appellant niet op 19 december 2006, maar pas op 5 februari 2007 heeft moeten begrijpen dat hij voor de functie was afgewezen en dat pas vanaf die dag de wettelijke bezwaartermijn van zes weken begon te lopen, appellant die termijn onbenut heeft gelaten zonder dat hij redenen heeft aangevoerd om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten; appellant heeft dus berust in de afwijzing. Daaruit volgt dat ten tijde van het rekest, op 28 maart 2007, sprake was van een in rechte vaststaand besluit.
3.6. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen, dat het rekest moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit tot afwijzing. Met de rechtbank en op de dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb heeft aangevoerd die ten tijde van het rekest nog niet bekend waren en die aanleiding hadden behoren te vormen om het oorspronkelijke besluit te herzien. De Raad merkt hierbij nog op dat geen zelfstandige betekenis toekomt aan het gegeven, dat het verzoek mede betrekking heeft op een gelijksoortige functie als die van [functie B], nu ook dat deel van het verzoek onlosmakelijk verbonden is met het verzoek om per 1 oktober 2006 terug te komen van de onterecht geachte afwijzing.
3.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2010.
(get.) M.C. Bruning.
(get.) B. Bekkers.
HD