AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beëindiging toeslag op grond van Toeslagenwet na bereiken 65-jarige leeftijd
Betrokkene, geboren in 1937, ontving een WAO-uitkering en een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). Deze toeslag werd afgebouwd vanwege de Wet beperking export uitkeringen, maar de Raad oordeelde eerder dat deze afbouw in strijd was met het IAO-verdrag 118. Na betaling van de teruggevorderde bedragen beëindigde appellant de toeslag per 1 juli 2003.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit tot beëindiging, stellende dat dit in strijd was met meerdere internationale verdragen. In hoger beroep stelde appellant dat betrokkene vanaf 1 april 2002 geen recht meer had op de toeslag omdat de WAO-uitkering toen was beëindigd vanwege het bereiken van de 65-jarige leeftijd.
De Raad bevestigde dat de WAO-uitkering per 1 april 2002 eindigde en dat daardoor ook het recht op toeslag op grond van de TW verviel. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit op bezwaar wordt ongegrond verklaard omdat betrokkene vanaf 1 april 2002 geen recht meer had op de toeslag.
Uitspraak
04/2436 TW
08/6396 TW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 maart 2004, 03/5198 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te Turkije (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 31 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene is geen verweerschrift ingediend.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding appellant in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant mede verstaan het Lisv.
1.2. Betrokkene, geboren [in] 1937, heeft in Nederland werkzaamheden verricht. In verband met arbeidsongeschiktheid is aan hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, aangevuld met een uitkering ingevolge de Toeslagenwet (TW). Betrokkene is met behoud van deze uitkering naar Turkije teruggekeerd.
1.3. Appellant heeft op enig moment aan betrokkene medegedeeld dat de aan hem toegekende toeslag vanaf 1 januari 2000 in een periode van 3 jaar wordt afgebouwd op grond van de Wet beperking export uitkeringen.
1.4. Bij uitspraak van 14 maart 2003 (LJN AF5937) heeft de Raad de afbouw van de toeslag in strijd geacht met het bepaalde in artikel 5, eerste lid, van Verdrag 118 betreffende gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen op het gebied van de sociale zekerheid van 28 juni 1962 (hierna: IAO-verdrag 118). Naar aanleiding van deze uitspraak heeft appellant aan betrokkene de bedragen die sedert 1 januari 2001 in mindering waren gebracht op de uitkering alsnog uitbetaald onder vergoeding van de wettelijke rente.
1.5. Bij besluit van 18 augustus 2003 heeft appellant de toeslag van betrokkene ingevolge artikel 4a van de TW per 1 juli 2003 beëindigd. Bij besluit op bezwaar van 1 oktober 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 18 augustus 2003 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 18 augustus 2003 herroepen. Daartoe heeft zij overwogen dat de intrekking van de toeslag per voornoemde datum in strijd is met artikel 5, eerste lid, van IAO-verdrag 118, en voorts in strijd is met artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 van Associatieraad EG-Turkije, artikel 14 vanPro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 26 vanPro het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en politieke rechten.
3. In hoger beroep is namens appellant naar voren gebracht, dat uit nadere controle van het dossier is gebleken dat betrokkene vanaf 1 april 2002 geen recht meer had op een toeslag, omdat de WAO-uitkering op die datum reeds was beëindigd in verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Namens appellant is voorts betoogd dat het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 18 augustus 2003 gegrond had moeten worden verklaard en de datum van beëindiging van de toeslag op 1 april 2002 had moeten worden gesteld.
4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2. In geschil is of betrokkene op 1 juli 2003 aanspraak kon doen gelden op een uitkering op grond van de TW.
4.3. Ingevolge artikel 49 vanPro de WAO neemt de arbeidsongeschiktheidsuitkering een einde met ingang van de eerste dag van de maand, waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt.
4.4. De Raad stelt vast dat betrokkene [in] 2002 de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, waardoor betrokkene op grond van deze bepaling met ingang van 1 april 2002 geen recht meer had op een WAO-uitkering. Mitsdien had betrokkene ingevolge artikel 2, eerste lid en onder a, van de TW per 1 april 2002 evenmin recht op een toeslag op grond van de TW.
4.5. Dit houdt in dat, nu gebleken is dat de WAO-uitkering reeds per 1 april 2002 is beëindigd in verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd, appellant terecht heeft vastgesteld dat betrokkene op 1 juli 2003 geen aanspraak kon maken op een uitkering ingevolge de TW.
4.6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt, de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en het beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond dient te worden verklaard.
5. De Raad ziet tot slot geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 1 oktober 2003 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2010.