ECLI:NL:CRVB:2010:BO9953

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-3615 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtbankbeslissing inzake vaststelling dagloon en proceskostenvergoeding WW-uitkering

Appellant, die een WAO-uitkering ontving, kreeg deze herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid, waarop een WW-uitkering werd toegekend met een vastgesteld dagloon. Na bezwaar werd het dagloon aangepast in verband met de gewijzigde arbeidsongeschiktheid. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens het ontbreken van een hoorzitting, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat partijen het inmiddels eens waren over het dagloon.

In hoger beroep betoogde appellant dat hij zijn argumenten over het dagloon had willen toelichten tijdens een hoorzitting. De Raad overwoog dat appellant zowel in beroep als hoger beroep ruimschoots gelegenheid had gehad om zijn standpunten naar voren te brengen, zodat een hoorzitting niets meer zou toevoegen.

De Raad kende de proceskostenvergoeding de gewichtsfactor 'licht' toe omdat het bestreden besluit rechtstreeks voortvloeide uit een eerder besluit. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, zonder toekenning van extra proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtbankuitspraak en laat het bestreden besluit over het dagloon en de proceskostenvergoeding in stand.

Uitspraak

09/3615 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 25 mei 2009, 08/1026 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2010. Appellant is, zoals hij had bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P. Belopavlovic.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant ontving een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Bij besluit van 8 mei 2008 is deze uitkering met ingang van 30 juni 2008 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.
1.2. Appellant heeft een (aanvullende) WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 7 juli 2008 is deze uitkering toegekend. Het dagloon is daarbij vastgesteld op € 77,91.
1.3. Bij besluit op bezwaar van 30 oktober 2008 heeft het Uwv het tegen de herziening van de WAO-uitkering ingediende bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 45-55%.
1.4. Bij besluit op bezwaar van 7 november 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de hoogte van het dagloon gegrond verklaard en het dagloon vastgesteld op € 64,93. Deze aanpassing houdt verband met het feit dat de WAO-uitkering is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. De door appellant in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte proceskosten worden vergoed tot een bedrag van € 161,=.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen dat besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv ten onrechte van het horen van appellant heeft afgezien. Partijen verschillen evenwel niet (langer) van mening over de hoogte van het WAO-dagloon. De hoogte van het WW-dagloon kan dus niet anders uitvallen. De rechtbank heeft het standpunt van appellant dat hij recht heeft op een hogere proceskostenvergoeding in bezwaar niet gevolgd.
3. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en het Uwv in het gelijk te stellen wat de hoogte van de in bezwaar toegekende proceskosten betreft. Appellant is van mening dat hij op een hoorzitting zijn argumenten omtrent de hoogte van het dagloon had kunnen toelichten.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Met betrekking tot de hoogte van de in bezwaar toegekende proceskostenvergoeding overweegt de Raad dat, nu het bestreden besluit wat de vaststelling van het dagloon betreft één op één voortvloeit uit het besluit van 30 oktober 2008, er redenen zijn om in de onderhavige zaak de gewichtsfactor ‘licht’ toe te kennen.
4.3. De stelling van appellant dat hij op een hoorzitting zijn argumenten omtrent de hoogte van het dagloon naar voren had kunnen brengen, onderschrijft de Raad. Daarom heeft de rechtbank het bestreden besluit ook vernietigd. Inmiddels is appellant echter, zowel in beroep als in hoger beroep, in ruime mate in de gelegenheid geweest om zijn argumenten naar voren te brengen. Het alsnog houden van een hoorzitting kan daaraan niets meer toevoegen. De rechtbank heeft dan ook terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten.
5. Het hoger beroep slaagt niet.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en H.G. Lubberdink als leden in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2010.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A.L. de Gier.
KR