ECLI:NL:CRVB:2011:BP0587

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-43 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar bij niet-ingediende aanvraag bijstand

Appellant, na het verkrijgen van verblijfsrecht op grond van het generaal pardon, sloot op 21 september 2007 een stageovereenkomst met de Dienst Werk en Inkomen van Amsterdam, waarin een stagevergoeding was opgenomen. Hoewel appellant zich later op 23 november 2007 meldde voor een aanvraag om bijstand, werd het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op een vermeende aanvraag van 21 september 2007 door het College niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank oordeelde dat op 21 september 2007 geen aanvraag om bijstand was ingediend, mede omdat de stageovereenkomst een vergoeding omvatte en Stichting Vluchtelingenwerk Amsterdam had aangegeven dat appellant zich had ingeschreven voor werk zonder een uitkering aan te vragen. Appellant stelde dat hij wel een aanvraag had willen doen, maar dit werd niet geaccepteerd omdat hij door taalproblemen onvoldoende begreep dat er geen aanvraag tot stand was gekomen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze beoordeling, wijzend op de mogelijkheid voor appellant om zich door SVA te laten voorlichten. Tevens werd benadrukt dat een WWB-uitkering op die datum niet aan de orde was binnen de Routekaart Generaal Pardon. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: Het bezwaar van appellant is terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat geen aanvraag om bijstand is ingediend.

Uitspraak

09/43 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 november 2008, 08/1044 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 11 januari 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S. Mathoerapersad, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 30 november 2010. Partijen zijn niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft, nadat hij op grond van een generaal pardon verblijfsrecht in Nederland heeft gekregen, zich op 21 september 2007 gemeld bij de Centrale organisatie voor werk en inkomen (CWI). Op diezelfde dag is tussen de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) en appellant een stageovereenkomst ter verbetering van zijn kansen op de arbeidsmarkt tot stand gekomen. De DWI heeft de stageovereenkomst met ingang van 12 november 2007 beëindigd. Appellant heeft zich op 23 november 2007 gemeld om een aanvraag om bijstand in te dienen. Bij besluit van 1 april 2008 heeft het College aan appellant bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend met ingang van 23 november 2007.
1.2. Appellant heeft bij brief van 4 december 2007 bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag om bijstand van 21 september 2007.
1.3. Bij besluit van 5 februari 2008 heeft het College het bezwaar van 4 december 2007 niet-ontvankelijk verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 februari 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het aannemelijk is dat het op 21 september 2007 niet tot een aanvraag om bijstand is gekomen, nu met appellant op die datum een stageovereenkomst is gesloten waarin is opgenomen dat hij recht op een stagevergoeding heeft. Verder heeft de Stichting Vluchtelingenwerk Amsterdam (SVA) voor appellant op een zogeheten Routekaart Generaal Pardon ingevuld dat hij zich op 21 september 2007 voor werk heeft ingeschreven, maar geen uitkering heeft aangevraagd. De stelling van appellant dat hij wel heeft bedoeld een aanvraag om bijstand in te dienen, maakt dit niet anders. Appellant werd ondersteund door SVA, die een en ander aan appellant had kunnen uitleggen. Nu er geen sprake is van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), was het College niet gehouden een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb te nemen en is er geen sprake van het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb. Gelet op het bepaalde in artikel 7:1 van Pro de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:1 van Pro de Awb, stond niet het rechtsmiddel van bezwaar open. Het College heeft, aldus de rechtbank, het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Naar het oordeel van de Raad is niet aannemelijk dat appellant op 21 september 2007 een aanvraag om bijstand heeft ingediend, zodat het College het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Dat appellant door zijn onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal wellicht niet heeft begrepen dat er geen aanvraag om bijstand tot stand is gekomen, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. In dit verband is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat appellant zich door SVA had kunnen laten voorlichten. De Raad tekent hierbij aan dat de in onderdeel 2 genoemde stageovereenkomst voorzag in een stagevergoeding ter hoogte van de bijstandsnorm.
Een WWB-uitkering was op 21 september 2007 daarom in het kader van de Routekaart Generaal Pardon ook niet aan de orde.
4.2. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2011.
(get.) C. van Viegen.
(get.) C. de Blaeij.
RB