ECLI:NL:CRVB:2011:BP1081
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.P.M. Zeijen
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschil over arbeidsongeschiktheid en beperkingen schouderfunctie bij WAO-uitkering
Appellant, die sinds december 1999 ziekgemeld is, ontving een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Na bezwaar en beroep over de mate van arbeidsongeschiktheid en de beperkingen, met name aan de schouderfunctie, heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep behandeld.
De bezwaarverzekeringsarts Van Hooff had in zijn rapportage van december 2007 minder beperkingen vastgesteld dan verzekeringsarts De Vries in september 2007. Van Hooff baseerde zijn conclusies echter op een enkele waarneming tijdens de hoorzitting, zonder eigen onderzoek van appellant. De Raad oordeelde dat dit onvoldoende was om de eerdere bevindingen van De Vries terzijde te stellen.
De medische informatie was tegenstrijdig: orthopedisch chirurg Kats stelde een andere diagnose dan chirurg Vosmer, maar de bevindingen van De Vries sloten aan bij die van Vosmer. De Raad vond dat Van Hooff appellant zelf had moeten onderzoeken alvorens zijn conclusies te trekken.
De arbeidsdeskundige Wijngaards had de beperkingen voor de linker- en rechterarm onderscheiden en uitgelegd dat de functies die aan appellant werden voorgehouden medisch geschikt zijn, ook bij toepassing van de beperkingen zoals door De Vries vastgesteld. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de functies medisch geschikt zijn voor appellant met een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% en veroordeelt het UWV in de proceskosten.