ECLI:NL:CRVB:2011:BP1396
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor vertaalkosten processtukken in VN-klachtprocedure
Appellant diende een aanvraag in voor bijzondere bijstand om de kosten te dekken van het verplicht vertalen van processtukken in het Engels voor een klacht bij het Hoge Commissariaat voor de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage wees deze aanvraag af, omdat de vertaalkosten niet als noodzakelijke kosten van het bestaan worden beschouwd.
De rechtbank bevestigde deze afwijzing, waarna appellant in hoger beroep ging bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) bijzondere bijstand alleen kan worden verleend voor noodzakelijke kosten die niet uit andere middelen kunnen worden voldaan. Daarnaast stelde de Raad vast dat het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 een limitatieve opsomming geeft van kosten die door de rechtsbijstandverlener aan de rechtzoekende in rekening mogen worden gebracht, waarin vertaalkosten niet zijn opgenomen.
De Raad concludeerde dat de vertaalkosten voor rekening van de gemachtigde van appellant komen en niet aan appellant kunnen worden toegerekend. De stelling van appellant dat geen rechtsbijstandverlener hem in de klachtprocedure zou willen bijstaan vanwege de hoogte van de vertaalkosten, deed hieraan niet af. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor vertaalkosten wordt afgewezen omdat deze kosten niet als noodzakelijk worden aangemerkt.