ECLI:NL:CRVB:2011:BP1837

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1449 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening van WAO-uitkering en de medische en arbeidskundige grondslagen

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad, die op 3 februari 2010 haar beroep tegen een besluit van het Uwv ongegrond verklaarde. Het Uwv had op 5 mei 2009 de WAO-uitkering van appellante herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met ingang van 27 maart 2009. Appellante stelde dat haar klachten sinds 1996 zijn toegenomen en dat zij nog steeds voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. Ze voerde aan dat het medische onderzoek niet volledig was, omdat de verzekeringsarts geen lichamelijk onderzoek had uitgevoerd. Daarnaast verwees zij naar informatie van haar reumatoloog, die degeneratieve afwijkingen van de wervelkolom had vastgesteld.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank de gronden van appellante afdoende had besproken en gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en concludeerde dat het onderzoek door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts voldoende was. De nieuwe medische informatie die in hoger beroep was ingebracht, leidde niet tot een ander oordeel. De Raad was van mening dat de bezwaararbeidsdeskundige voldoende had gemotiveerd dat er in elke SBC-code minimaal één parttime functie aanwezig was.

Uiteindelijk bevestigde de Centrale Raad van Beroep de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan in het openbaar op 21 januari 2011.

Uitspraak

10/1449 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 februari 2010, 09/960 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 januari 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 5 mei 2009 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, de WAO-uitkering van appellante met ingang van 27 maart 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 5 mei 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, overwogen dat het besluit van 5 mei 2009 op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts over de belastbaarheid van appellante per 27 maart 2009. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van 4 mei 2009 voldoende duidelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies voor appellante geschikt zijn.
3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar klachten sinds 1996 zijn toegenomen en dat zij nog steeds voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is.
3.2. Voorts stelt appellante zich op het standpunt dat het medische onderzoek niet volledig is geweest nu de verzekeringsarts op 4 mei 2008 geen lichamelijk onderzoek heeft uitgevoerd. Dat de bezwaarverzekeringsarts aanvullend lichamelijk onderzoek heeft gedaan betekent niet dat er sprake is van een zorgvuldig onderzoek.
3.3. Appellante wijst tevens naar de door haar overgelegde informatie van de reumatoloog M. Vis. Deze heeft op grond van röntgenonderzoek degeneratieve afwijkingen van de wervelkolom vastgesteld, naast de al eerder gestelde diagnose fibromyalgie. De behandeling die appellante op verwijzing van Vis heeft ondergaan bij C.M. Brandt, arts voor ortho manuele geneeskunde, heeft niet tot het gewenste resultaat geleid.
3.4. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat zich onder de geduide functies te weinig parttime arbeidsplaatsen bevinden.
4.1. De Raad stelt vast dat de in hoger beroep aangevoerde gronden grotendeels een herhaling zijn van hetgeen appellante in beroep al heeft aangevoerd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank die gronden afdoende besproken en heeft zij genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. Ook de Raad acht het onderzoek door verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts tezamen voldoende en wijst erop dat ook rekening is gehouden met informatie van de huisarts en de bij hem bekende bevindingen van reumatoloog Vis van het Jan van Breemen Instituut.
4.2. Hetgeen overigens in hoger beroep aan nieuwe medische informatie is ingebracht, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad kan zich vinden in het door de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 22 april 2010 ingenomen standpunt. De door Vis en Brandt aangegeven diagnoses waren bekend bij de (bezwaar)verzekeringsartsen en in de Functie Mogelijkheden Lijst is daarmee rekening gehouden.
4.3. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd ter zake van de arbeidskundige grondslag van het besluit geen doel treft. De Raad kan zich vinden in de ter zake door de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 23 april 2010 gegeven reactie. In elke SBC-code komt namelijk minimaal één parttime functie voor.
4.4. Het hoger beroep van appellante treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4.5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2011.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) R.L. Venneman.
IvR