ECLI:NL:CRVB:2011:BP1841

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4153 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering ondanks medische bezwaren

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering per 13 januari 2009 te beëindigen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het besluit op een juiste medische en arbeidskundige grondslag was gebaseerd.

In hoger beroep voerde appellante aan dat een rapport van haar behandelend psycholoog aantoonde dat zij niet in staat was om bedrijfsmatige werkzaamheden te verrichten en verzocht zij om voortzetting van haar WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

De Raad stelde vast dat de bezwaarverzekeringsarts het standpunt van de behandelend psycholoog gemotiveerd had weersproken en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst niet leidden tot een overschatting van haar arbeidsmogelijkheden. Hoewel het UWV in hoger beroep toegaf dat de toelichting over de passendheid van de geduide functies niet volledig was, werd deze door de bezwaararbeidsdeskundige adequaat aangevuld.

Het hoger beroep werd verworpen. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep, omdat de toelichting over de passendheid van functies pas in hoger beroep voldoende was gegeven.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

10/4153 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2010, 09/2331 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 januari 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.L. van Os, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld. Appellante heeft zelf nog een aanvullende toelichting gegeven.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2010. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 12 november 2008 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij met ingang van 13 januari 2009 geen uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) meer ontvangt, omdat zij met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.
1.2. Bij besluit van 20 april 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was samengevat van oordeel dat het bestreden besluit op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat uit het rapport van de behandelend psycholoog Brania van 30 maart 2009 blijkt dat zij niet in staat is om bedrijfsmatige werkzaamheden te verrichten. Appellante heeft de Raad verzocht te bepalen dat zij met ingang van 13 januari 2009 onveranderd recht heeft op een WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad stelt vast dat uit de rapportage van 2 april 2009 blijkt dat de bezwaarverzekeringsarts de door hem opgevraagde informatie van de behandelend psycholoog Brania van 30 maart 2009 bij zijn beoordeling heeft betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft het standpunt van de behandelend psycholoog, dat appellante met rust moet worden gelaten en dat de bestaande situatie de hoogst haalbare oplossing is, gemotiveerd bestreden. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 2 april 2009 voldoende overtuigend heeft weersproken dat appellante geen benutbare arbeidsmogelijkheden heeft. De bezwaarverzekeringsarts heeft in rubrieken 1 en 2 van de Functionele Mogelijkheden Lijst meer beperkingen aangenomen. Niet is gebleken dat haar arbeidsmogelijkheden daarmee zijn overschat.
4.2. Met betrekking tot de geduide functies overweegt de Raad dat het Uwv in hoger beroep heeft erkend dat de toelichting omtrent de passendheid van die functies niet volledig is geweest. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in hoger beroep een aanvullende toelichting gegeven. De Raad acht deze toelichting toereikend.
4.3. Het hoger beroep slaagt dus niet.
5. Aangezien de passendheid van de geduide functies pas in hoger beroep voldoende is toegelicht ziet de Raad redenen het Uwv te veroordelen in de door appellante in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 437,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 759,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 759,-;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2011.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) R.L. Venneman.
NK