ECLI:NL:CRVB:2011:BP2535

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2215 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a Zw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling Ziektewet-dagloon na bevallingsverlof

Appellante was per 1 oktober 2008 niet langer in dienst en ontving een uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg. Zij meldde zich op 16 april 2009 ziek met zwangerschaps- en bevallingsklachten. Het UWV kende haar een Ziektewet-uitkering toe met een dagloon van €53,09, later bij bezwaar verhoogd naar €56,93.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat 16 april 2009 terecht als eerste arbeidsongeschiktheidsdag werd aangemerkt, conform artikel 29a, vierde lid, van de Ziektewet. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het dagloon vóór en na het bevallingsverlof gelijk zou moeten zijn, omdat de ziekteoorzaak hetzelfde is, en dat er ten onrechte een nieuwe wachttijd en eerste arbeidsongeschiktheidsdag werd aangenomen.

De Raad concludeerde dat appellante haar gronden onvoldoende motiveerde en onderschreef de overwegingen van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van het dagloon wordt bevestigd.

Uitspraak

10/2215 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2010, 09/2667 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 januari 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.P.J. van de Griend, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2010. Appellante noch haar gemachtigde is verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. D. de Jong.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Per 1 oktober 2008 is de arbeidsovereenkomst die appellante had met haar toenmalige werkgever van rechtswege geëindigd. Bij besluit van 18 december 2008 heeft het Uwv per 25 december 2008 uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg (Wazo) toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op € 63,90.
1.2. Appellante heeft zich per 16 april 2009 ziek gemeld met zwangerschaps- en bevallingsklachten (bekkeninstabiliteit). Bij primair besluit van 5 mei 2009 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 16 april 2009 een uitkering krachtens de Ziektewet (Zw) toegekend. Het dagloon is vastgesteld op € 53,09.
1.3. Bij besluit van 8 juli 2009 is het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat het dagloon is vastgesteld op € 56,93.
1.4. Appellante heeft zich hier niet mee kunnen verenigen en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat er voor de vaststelling van het dagloon terecht is uitgegaan van 16 april 2009 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag en dat het op € 56,93 vastgestelde dagloon correct is. Uit artikel 29a, vierde lid, van de Zw blijkt dat de dag aansluitend aan het bevallingsverlof als eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden aangemerkt.
2. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat ze het niet eens is met de hoogte van het dagloon. Nu er sprake is van ziekte door dezelfde oorzaak voor en na het bevallingsverlof, dient het dagloon voor en na het verlof ook dezelfde hoogte te hebben. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat er met betrekking tot de ziekteperiode na het bevallingsverlof een nieuwe wachttijd gaat lopen en heeft ten onrechte aangenomen dat er derhalve sprake is van een nieuwe eerste arbeidsongeschiktheidsdag.
3.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.2. In hoger beroep heeft appellante volstaan met herhaling van de door haar in beroep aangevoerde en door de rechtbank in de aangevallen uitspraak besproken gronden, echter, zonder aan te geven waarom naar haar opvatting het oordeel van de rechtbank over die gronden onjuist is. De Raad is van oordeel dat de rechtbank die gronden op juiste wijze heeft besproken en op juiste wijze heeft gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.
4. Uit hetgeen onder 3.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2011.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) T.J. van der Torn.
NW