ECLI:NL:CRVB:2011:BP2680

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2170 WWB-W
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:16 AwbArt. 8:18 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om wraking wegens gebrek aan feiten voor rechterlijke partijdigheid

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek tot wraking ingediend tegen raadsheer Van der Ham, stellende dat deze incompetent, partijdig en kreukbaar zou zijn. Dit verzoek werd gedaan voorafgaand aan een zitting in hoger beroep tegen een uitspraak inzake de WWB.

De Raad heeft het verzoek getoetst aan artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dat vereist dat wraking gebaseerd moet zijn op concrete feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechter kunnen aantasten. Het verzoek bevatte echter geen dergelijke feiten of omstandigheden.

Ook werd het niet honoreren van een verzoek tot uitstel van zitting als onvoldoende grond voor wraking beoordeeld. De Raad benadrukte dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen.

De Raad concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn voor schending van onpartijdigheid en wees het wrakingsverzoek daarom af. Tevens werd gewezen op de regel dat een volgend wrakingsverzoek tegen dezelfde rechter niet wordt behandeld zonder nieuwe feiten.

Uitkomst: Het verzoek om wraking van de raadsheer wordt afgewezen wegens het ontbreken van feiten die de rechterlijke onpartijdigheid aantasten.

Uitspraak

10/2170 WWB-W
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
B E S L I S S I N G
op het verzoek ingevolge artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, gedaan door:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker).
Datum uitspraak: 25 januari 2011
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van de Raad van 24 augustus 2010, 10/2170 WWB.
Voor de aanvang van het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer van de Raad van 21 december 2010 heeft verzoeker bij brief van 16 december 2010 verzocht om wraking van mr. A.B.J. van der Ham.
Verzoeker en de hiervoor genoemde raadsheer zijn ingevolge artikel 8:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van de Raad van 18 januari 2011, van welk gelegenheid verzoeker en mr. A.B.J. van der Ham geen gebruik hebben gemaakt.
II. OVERWEGINGEN
1. In artikel 8:15 van Pro de Awb is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit artikel is ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet in hoger beroep van overeenkomstige toepassing. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van Pro de Awb is de ratio van het instituut wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen schijn van rechterlijke partijdigheid.
2. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 1995, LJN ZD0257).
3. Als wrakingsgrond is aangevoerd incompetentie, partijdigheid en kreukbaarheid van mr. Van der Ham zonder vermelding van feiten of omstandigheden waarop die grond is gebaseerd. Ten aanzien van de gewraakte raadsheer bevat het verzoek om wraking derhalve geen aanwijzing voor de aanwezigheid van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:15 van Pro de Awb waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4. De omstandigheid dat een verzoek om een zitting uit te stellen niet wordt gehonoreerd, hetgeen op zichzelf als een procedurele beslissing moet worden gezien, levert evenmin een dergelijke omstandigheid op.
5. Voor dit geding ten overvloede merkt de Raad nog op dat, voor zover bij verzoeker nog onduidelijkheid mocht bestaan inzake het onderwerp van geschil, de uitspraak van de Raad van 24 augustus 2010, 10/2170 WWB - waartegen verzet is aangetekend - gelezen in samenhang met de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 3 maart 2010, 09/1757 WWB - waarvan verzoeker in hoger beroep is gekomen - daaromtrent de vereiste duidelijkheid biedt.
6. Uit hetgeen onder 3 en 4 is overwogen volgt dat er geen grond is voor het oordeel dat sprake is van (schijn van) partijdigheid van mr. Van der Ham, zodat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
7. De Raad merkt ten slotte nog op dat ingevolge artikel 8:16, vierde lid, van de Awb een volgend verzoek om wraking van dezelfde rechter in deze zaak niet in behandeling wordt genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden aangevoerd die pas na het eerder verzoek aan verzoeker bekend zijn geworden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om wraking af.
Aldus gegeven door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M Roelofs en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011.
(get.) C. van Viegen.
(get.) R. Scheffer.
RB