ECLI:NL:CRVB:2011:BP3889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor arbeid
Appellant, werkzaam als medewerker technische dienst, meldde zich ziek wegens suikerziekte, concentratieproblemen en depressie en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV verklaarde hem per 3 december 2007 weer geschikt voor zijn arbeid en beëindigde het recht op ziekengeld. Appellant maakte bezwaar en stelde dat zijn beperkingen werden onderschat, met name door concentratieproblemen en trillende handen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd meegewogen dat de bezwaarverzekeringsarts appellant had onderzocht en medische informatie van huisarts, internist en psychiater had betrokken. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, maar de Raad oordeelde dat de medische gegevens onvoldoende aanleiding boden om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts te wijzigen.
De Raad nam mee dat de psychiater had vastgesteld dat klachten samenhingen met de toenmalige werksituatie en dat na ontslag deze situatie was verdwenen. Ook het psychodiagnostisch onderzoek betrof een periode na de datum in geschil. De latere diagnose diabetes type I met matige regulatie was niet relevant voor de situatie per 3 december 2007.
Gezien het ontbreken van nieuwe medische gegevens en het ontbreken van aanwijzingen voor ongeschiktheid, bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld wordt beëindigd per 3 december 2007.