ECLI:NL:CRVB:2011:BP3991
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting over woonadres
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en gaf een woonadres op dat niet overeenkwam met de feitelijke situatie. Na een thematische controle en een huisbezoek concludeerde het College dat appellant niet op het opgegeven adres verbleef en dat hij zijn inlichtingenverplichting had geschonden. Het College trok de bijstand met terugwerkende kracht in. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep bevestigt de Raad dat de beoordeling zich beperkt tot de periode van intrekking tot aan het primaire besluit. De Raad stelt vast dat appellant onvoldoende bewijs leverde dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. De bevindingen van het huisbezoek en verklaringen van appellant ondersteunen dit. Ook de stelling dat appellant vaak op het adres verbleef, wordt niet aannemelijk geacht.
De Raad oordeelt dat appellant niet voldeed aan de wettelijke inlichtingenverplichting en dat het College terecht de bijstand heeft ingetrokken. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.