ECLI:NL:CRVB:2011:BP5137
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving vanaf 4 juni 2001 een WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV trok deze uitkering per 7 april 2007 in, omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond, stellende dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de functies passend waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar fibromyalgie en de daarmee gepaard gaande pijnklachten en bewegingsbeperkingen onderschat waren, en dat zij de aangeduide functies niet kon verrichten. De Raad overwoog echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, waarbij rekening was gehouden met meerdere artsen, waaronder een reumatoloog en huisarts, en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst adequaat waren weergegeven.
De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat er geen aanwijzingen waren voor een actief ontstekingsproces en dat leefregels zoals bewegen en rust belangrijk zijn. Ook de arbeidskundige beoordeling vond de Raad passend, waarbij de functies productiemedewerker industrie, productiemedewerker textiel en wikkelaar medisch geschikt werden geacht. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% wordt bevestigd.