ECLI:NL:CRVB:2011:BP5610

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-38 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit WW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling WW-dagloon ondanks betwisting over niet-uitbetaald loon

Appellant was werkzaam als vrachtwagenchauffeur van januari tot juli 2008 en ontving een WW-uitkering gebaseerd op een dagloon van € 98,50 over een referteperiode van 14 januari tot 30 juni 2008. Hij betwistte de hoogte van het dagloon en stelde dat hij recht had op een hoger dagloon vanwege niet-uitbetaald loon dat wel vorderbaar maar niet inbaar was in het refertejaar.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij niet had aangetoond dat er sprake was van zodanig loon. Ook de kantonrechter wees zijn loonvordering af. De Raad overwoog dat artikel 2, vierde lid, van het Besluit WW vereist dat het loon rechtens bestaat maar niet inbaar is om in aanmerking te komen voor een hogere dagloonvaststelling.

Gezien het vonnis van de kantonrechter was het niet aannemelijk dat appellant recht had op dat loon in de referteperiode. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het vastgestelde WW-dagloon juist is en wijst het hoger beroep van appellant af.

Uitspraak

10/38 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 29 december 2009, 09/25 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 februari 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2010. Namens appellant is mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. D. de Jong.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was werkzaam als vrachtwagenchauffeur bij Van der [naam werkgever] gedurende de periode van 14 januari 2008 tot 15 juli 2008.
1.2. Bij besluit van 28 augustus 2008 is aan appellant aansluitend een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Deze uitkering is berekend naar een arbeidsurenverlies van veertig uur per week en een dagloon van € 98,50. Hierbij is vastgesteld dat de referteperiode loopt van 14 januari 2008 tot en met 30 juni 2008. Bij besluit op bezwaar van 2 december 2008 is het bezwaar van appellant tegen de hoogte van het dagloon ongegrond verklaard.
2. Het daartegen door appellant ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard, waartoe de rechtbank heeft overwogen dat appellant niet heeft aangetoond dat hij nog loon van zijn werkgever tegoed heeft dat in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden.
3. In hoger beroep stelt appellant dat ten onrechte is uitgegaan van het loon zoals dat door zijn voormalige werkgever als premieplichtig loon is opgegeven en niet tevens van het niet-uitbetaalde loon waarvan hij kan aantonen dat dit in de referteperiode vorderbaar, maar niet-inbaar was. Daartoe wijst hij op een berekening van zijn vakbond van
6 december 2009. De vakbond gaat uit van een hogere loonschaal, alsook van 2,25 overuren per dag, waarmee het dagloon uitkomt op € 106,69. Voorts wijst appellant op zijn vordering aan de kantonrechter tot veroordeling van zijn voormalige werkgever tot betaling van het daarmee gemoeide loon op welke vordering bij vonnis van 17 november 2010 is beslist.
4.1. Appellants loonvordering is door de kantonrechter op geen enkel onderdeel gehonoreerd.
4.2. Uit de Nota van Toelichting op het Besluit (Staatsblad 2005, 546, bladzijde 26) volgt dat artikel 2, vierde lid, van het Besluit zo dient te worden begrepen dat voor toepassing van dit artikellid eerst sprake kan zijn indien in het refertejaar recht op loon bestaat, doch dat dit loon niet inbaar is. Gelet op het vonnis van de kantonrechter is niet staande te houden dat de vraag of er sprake is van recht op loon in de referteperiode dat wel vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden, ten onrechte ontkennend is beantwoord.
5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2011.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) T.J. van der Torn.
TM