ECLI:NL:CRVB:2011:BP5978
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellant stelde hoger beroep in tegen de herziening van zijn WAO-uitkering door het UWV, waarbij de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 45 tot 55% met ingang van 28 april 2009. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren voor ernstiger beperkingen dan in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 20 januari 2009 waren opgenomen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij beperkingen ondervindt op het gebied van concentratie, aandacht en geheugen, onderbouwd met medische rapportages van Het Roessingh en een neuroloog. Tevens stelde hij dat er een medische urenbeperking moest worden aangenomen vanwege vermoeidheid, concentratieproblemen en hartklachten.
De Raad oordeelde dat de functies waarop de beoordeling was gebaseerd (productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie, productiemedewerker industrie en wikkelaar) eenvoudige routinematige werkzaamheden betreffen waarbij geen beroep wordt gedaan op geheugen of voortdurende concentratie. De medische en arbeidskundige rapportages, inclusief die van de bezwaararbeidsdeskundige, ondersteunen dat appellant deze functies kan verrichten. Er is geen bewijs dat er onhaalbare opleidingseisen worden gesteld of dat de cognitieve beperkingen ernstiger zijn dan aangenomen.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en vond geen aanleiding om de medische grondslag of de arbeidskundige beoordeling te herzien. Ook was er onvoldoende aanleiding voor een urenbeperking. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.