ECLI:NL:CRVB:2011:BP6185
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en weigering WIA-uitkering wegens oogklachten
Appellante, werkzaam als logistiek medewerker, vroeg een WIA-uitkering aan wegens oogklachten die sinds augustus 2006 haar arbeid belemmeren. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat zij op de datum van beoordeling, 11 augustus 2008, minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering.
Na bezwaar en aanvullend onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts en een arbeidsdeskundige werd bevestigd dat appellante geschikt was voor bepaalde functies, waarbij rekening werd gehouden met haar oogproblemen, zoals het dragen van een speciale bril. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante terecht niet voor haar oorspronkelijke functie geschikt werd geacht, maar wel voor andere passende functies.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen werden onderschat, met name vanwege de chronische aard van uveïtis en de noodzaak van goede ventilatie bij het dragen van een beschermende bril. De Raad concludeerde echter dat de medische en arbeidskundige onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren dat appellante meer beperkt was dan vastgesteld.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af, zonder proceskostenveroordeling. De geselecteerde functies werden als passend beschouwd, waarbij de specifieke oogproblemen adequaat waren meegenomen in de beoordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.