ECLI:NL:CRVB:2011:BP6434
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fictieve opzegtermijn en WW-uitkering bij beëindigingsovereenkomst
Appellante trad in 2005 in dienst bij haar werkgever met toepassing van de CAO Grafimedia. Bij een vaststellingsovereenkomst in mei 2009 werd de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd per 16 juni 2009, met een beëindigingsvergoeding conform het Sociaal Plan.
Het UWV weigerde aanvankelijk een WW-uitkering tot 30 september 2009, uitgaande van een fictieve opzegtermijn van vier maanden zoals voorgeschreven in artikel 7:672 BW Pro. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat noch de CAO noch het Sociaal Plan een grondslag bieden voor een kortere opzegtermijn.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil trad en dat de opzegtermijn op grond van het Sociaal Plan slechts twee maanden zou zijn. De Raad oordeelde dat de wettelijke opzegtermijn van vier maanden onverkort geldt, omdat de CAO Grafimedia en het Sociaal Plan geen bevoegdheid geven tot verkorting. De verwijzing naar de individuele arbeidsovereenkomst in het Sociaal Plan geldt voor werknemers buiten de CAO, niet voor appellante.
De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de WW-uitkering wordt terecht ontzegd tot 1 oktober 2009 vanwege de fictieve opzegtermijn van vier maanden.