ECLI:NL:CRVB:2011:BP6505
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging van ziekengeld na verstrijken maximale uitkeringsduur Ziektewet
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en viel uit wegens rugklachten op 26 juni 2006. Haar dienstverband werd beëindigd op 14 juli 2006 en zij ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 22 juni 2008, na het verstrijken van de maximale uitkeringsduur van 104 weken ongeschiktheid tot werken.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het besluit terecht was, omdat artikel 29, vijfde lid, van de Ziektewet dwingend voorschrijft dat na 104 weken geen ziekengeld meer wordt uitgekeerd. Appellante betwistte niet dat deze termijn was verstreken en voerde geen nieuwe feiten aan die het besluit konden betwisten.
In hoger beroep herhaalde appellante haar eerdere gronden, die door de rechtbank gemotiveerd waren verworpen. De Centrale Raad van Beroep vond geen reden om het oordeel van de rechtbank te wijzigen en bevestigde de uitspraak. Ook het afzien van een hoorzitting door het UWV werd als rechtmatig beoordeeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellante wordt beëindigd na het verstrijken van de maximale uitkeringsduur van 104 weken.