ECLI:NL:CRVB:2011:BP6870

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1501 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijzondere bijstand wegens niet voldoen aan voorwaarden

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 22 februari 2011 uitspraak gedaan in hoger beroep over de intrekking en terugvordering van bijzondere bijstand aan appellante. De appellante had bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting ontvangen, maar voldeed niet aan de voorwaarde om verifieerbare rekeningen of nota's van de aangeschafte goederen over te leggen. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht had eerder besloten om de bijstand in te trekken en terug te vorderen, omdat appellante niet aan deze verplichting had voldaan. De rechtbank Utrecht had het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard, waarna appellante in hoger beroep ging.

Tijdens de zitting op 18 januari 2011 was appellante aanwezig, bijgestaan door haar advocaat, en het College werd vertegenwoordigd door een ambtenaar. De Raad heeft in zijn overwegingen benadrukt dat de verplichting om verifieerbare rekeningen te overleggen verband houdt met de aard en het doel van de verleende bijstand. De Raad oordeelde dat de handgeschreven verklaring van een derde, die door appellante was overgelegd, onvoldoende was om aan te tonen dat de goederen daadwerkelijk waren aangeschaft. Ook een bankafschrift dat door appellante was ingediend, bood geen bewijs dat het opgenomen geld was gebruikt voor de woninginrichting.

De Raad concludeerde dat het College op goede gronden tot intrekking van de bijzondere bijstand was overgegaan en dat de voorwaarden voor terugvordering waren nageleefd. Het hoger beroep van appellante werd afgewezen en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitspraak

09/1501 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 januari 2009, 08/405 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College).
Datum uitspraak: 22 februari 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2011. Appellante is in persoon verschenen bijgestaan door mr. J.J. Stobbe, advocaat te Utrecht. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente Utrecht.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
1.1. Bij besluit van 16 juli 2007 is aan appellante bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting toegekend tot een bedrag van € 2.815,--. Daarbij heeft het College aan appellante de verplichting opgelegd om binnen 30 dagen na betaling van de bijzondere bijstand de definitieve rekeningen van de aangeschafte goederen te overleggen.
1.2. Bij besluit van 15 november 2007 heeft het College de aan appellante verstrekte bijzondere bijstand van € 2.815,-- voor woninginrichting ingetrokken en teruggevorderd, nu zij niet aan de in 1.1 genoemde verplichting heeft voldaan.
1.3. Bij besluit van 21 januari 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 15 november 2007 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 januari 2008 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 55 van de WWB kunnen burgemeester en wethouders aan de ontvanger van bijstand verplichtingen opleggen die strekken tot arbeidsinschakeling dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot vermindering of beëindiging van de bijstand. De hier aan de orde zijnde verplichting kan in beginsel worden geacht verband te houden met de aard en het doel van de verleende bijstand.
4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante niet heeft voldaan aan de in het toekenningsbesluit gestelde voorwaarde dat zij verifieerbare rekeningen/nota’s van de aangeschafte goederen dient over te leggen. Met het oog op een effectieve controle en correcte beoordeling van het recht op bijstand is het gerechtvaardigd dat de (medewerkers van de) gemeente de definitieve rekeningen kunnen inzien. De handgeschreven verklaring van de heer [A.]l waarvan appellante stelt dat ze bij hem de goederen heeft aangeschaft, is daartoe onvoldoende, temeer daar zijn adres en/of telefoonnummer ontbreekt, waardoor die verklaring niet te verifiëren is. Ook uit het door appellante overgelegde bankafschrift van 20 september 2007, waaruit blijkt dat zij op 17 september 2007 in totaal € 3.000,-- heeft opgenomen valt niet op te maken dat het opgenomen geld is gebruikt voor de woninginrichting. De ter zitting nogmaals benadrukte bijzondere omstandigheden van appellante acht de Raad onvoldoende om van appellante niet te verlangen dat zij controleerbare en verifieerbare rekeningen/nota’s van de aangeschafte goederen dient aan te leveren.
4.3. De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat het College op goede gronden tot intrekking van de bijzondere bijstand is overgegaan.
4.4. De wijze van uitoefening van de intrekkingsbevoegdheid is niet bestreden.
4.5. Hiermee is voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB voor terugvordering van appellante van de verstrekte bijzondere bijstand. De wijze waarop van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik is gemaakt is evenmin bestreden.
4.6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2011.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) E. Heemsbergen.
IJ