ECLI:NL:CRVB:2011:BP6935
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-dagloon zonder verhoging wegens geen toename arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving sinds 12 oktober 1998 een WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na het aangaan van een arbeidsovereenkomst in het kader van de WSW werd haar WAO-uitkering niet uitbetaald, conform artikel 44 WAO Pro. Na ziekmelding in mei 2006 is de WAO-uitkering weer tot uitbetaling gekomen en is het dagloon vastgesteld op €66,07.
Appellante maakte bezwaar tegen de hoogte van het dagloon omdat zij naast haar WSW-arbeid ook een tweede arbeidsovereenkomst had, waarvan de inkomsten volgens haar bij de dagloonberekening betrokken hadden moeten worden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het Uwv terecht geen rekening hield met deze inkomsten en dat de ministeriële regeling ten onrechte maar gunstig was toegepast.
In hoger beroep stelde appellante dat haar WAO-uitkering na drie jaar anticumulatie was vervallen en dat het dagloon onjuist was vastgesteld. De Raad overwoog dat de WAO-uitkering niet was beëindigd en dat de ministeriële regeling abusievelijk was toegepast maar niet met terugwerkende kracht gecorrigeerd zou worden. Cruciaal was dat appellante niet voldeed aan de voorwaarde van artikel 40 WAO Pro voor verhoging van het dagloon omdat haar arbeidsongeschiktheid niet was toegenomen in de zin van die bepaling.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellante niet in haar belang was geschaad. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het WAO-dagloon niet wordt verhoogd omdat geen toename van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 40 WAO is vastgesteld.