ECLI:NL:CRVB:2011:BP6940
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking van WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid
In deze zaak gaat het om de intrekking van de WAO-uitkering van appellante, die aanvankelijk was vastgesteld op 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft op 22 november 2007 besloten de uitkering per 23 januari 2008 in te trekken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar het Uwv verklaarde dit bezwaar ongegrond op 30 mei 2008. De rechtbank Utrecht heeft op 24 juli 2009 het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard, wat leidde tot het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
Tijdens de zitting op 25 maart 2010 heeft appellante, bijgestaan door haar juridisch adviseur H. Yurdusen, haar standpunt toegelicht. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. A.H. Rebel. De zitting werd geschorst om appellante de gelegenheid te geven een onafhankelijke psychiater te raadplegen. De behandeling werd voortgezet op 4 februari 2011, waarbij appellante opnieuw aanwezig was met haar adviseur, en het Uwv vertegenwoordigd werd door mr. M.H.J. van Kuilenburg.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank een deskundige had moeten benoemen, omdat zij haar problemen en beperkingen niet goed kon verwoorden. Ze verwees naar informatie van Mesos en een advies van psychiater N.J. de Mooij. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de argumenten van appellante geen nieuwe gezichtspunten boden en dat het Uwv de arbeidsbeperkingen niet had onderschat. De Raad concludeerde dat de door het Uwv vastgestelde diagnose en beperkingen juist waren, en dat appellante in staat was om de haar voorgehouden functies te vervullen. De Raad veroordeelde het Uwv in de proceskosten van appellante, die in totaal € 1.449,- bedroegen, en bepaalde dat het Uwv het griffierecht van € 149,- aan appellante moest vergoeden.