ECLI:NL:CRVB:2011:BP6940

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5002 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking van WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid

In deze zaak gaat het om de intrekking van de WAO-uitkering van appellante, die aanvankelijk was vastgesteld op 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft op 22 november 2007 besloten de uitkering per 23 januari 2008 in te trekken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar het Uwv verklaarde dit bezwaar ongegrond op 30 mei 2008. De rechtbank Utrecht heeft op 24 juli 2009 het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard, wat leidde tot het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Tijdens de zitting op 25 maart 2010 heeft appellante, bijgestaan door haar juridisch adviseur H. Yurdusen, haar standpunt toegelicht. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. A.H. Rebel. De zitting werd geschorst om appellante de gelegenheid te geven een onafhankelijke psychiater te raadplegen. De behandeling werd voortgezet op 4 februari 2011, waarbij appellante opnieuw aanwezig was met haar adviseur, en het Uwv vertegenwoordigd werd door mr. M.H.J. van Kuilenburg.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank een deskundige had moeten benoemen, omdat zij haar problemen en beperkingen niet goed kon verwoorden. Ze verwees naar informatie van Mesos en een advies van psychiater N.J. de Mooij. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de argumenten van appellante geen nieuwe gezichtspunten boden en dat het Uwv de arbeidsbeperkingen niet had onderschat. De Raad concludeerde dat de door het Uwv vastgestelde diagnose en beperkingen juist waren, en dat appellante in staat was om de haar voorgehouden functies te vervullen. De Raad veroordeelde het Uwv in de proceskosten van appellante, die in totaal € 1.449,- bedroegen, en bepaalde dat het Uwv het griffierecht van € 149,- aan appellante moest vergoeden.

Uitspraak

09/5002 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 juli 2009, 08/1904 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft H. Yurdusen, werkzaam bij FERMAN juridisch advies te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door Yurdusen, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. A.H. Rebel. Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde appellante in de gelegenheid te stellen een onafhankelijke psychiater te raadplegen.
De psychiater N.J. de Mooij heeft op 19 augustus 2010 een advies uitgebracht.
Het Uwv heeft rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 23 september 2010 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 27 september 2010 ingezonden.
De behandeling ter zitting is voortgezet op 4 februari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door Yurdusen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Kuilenburg.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante ontving een WAO-uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
1.2. Bij besluit van 22 november 2007 heeft het Uwv de uitkering van appellante met ingang van 23 januari 2008 ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.
1.3. Bij besluit op bezwaar van 30 mei 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat er onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat het Uwv de arbeidsbeperkingen van appellante heeft onderschat. De rechtbank acht voorts voldoende gemotiveerd dat de geduide functies in overeenstemming zijn met de voor appellante vastgestelde belastbaarheid.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank een deskundige had moeten benoemen. Zij heeft haar problemen en beperkingen niet goed kunnen benoemen. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij verwezen naar de bij de rechtbank overgelegde informatie van Mesos van 18 november 2008. Voorts heeft zij een advies van psychiater De Mooij van 19 augustus 2010 ingezonden.
4.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen wezenlijke nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Evenals de rechtbank acht de Raad de arbeidsbeperkingen van appellante door het Uwv niet onderschat. De Raad verwijst naar rechtsoverweging 2.7 van de aangevallen uitspraak. Voorts overweegt de Raad dat ook de door appellante geraadpleegde psychiater De Mooij tot de conclusie is gekomen dat de diagnose die door het Uwv is gesteld alsmede de aangegeven beperkingen, juist zijn. Hetgeen appellante ter zitting naar voren heeft gebracht maakt dit niet anders aangezien dit niet wordt ondersteund door objectieve medische gegevens.
4.2. De Raad is ten slotte van oordeel dat appellante met de aangegeven beperkingen in staat is de haar voorgehouden functies van sorteerder, controleur (SBC-code 111340), productiemedewerker voedingsmiddelen industrie (111172) en inpakker (111190) te verrichten. Aangezien de toelichting van de functies pas in hoger beroep voldoende is ziet de Raad reden om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, totaal € 1.449,-.
4.3. Het hoger beroep slaagt niet.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.449,-;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 149,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2011.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) M.A. van Amerongen.
NK