ECLI:NL:CRVB:2011:BP6949

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4083 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering, die was gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische rapportages zorgvuldig waren opgesteld en de geselecteerde functies passend waren.

In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten onvoldoende waren meegewogen, met name die aan nek, schouder, knie en door dysthymie, en dat de samenhang van deze beperkingen niet was betrokken bij de functiekeuze. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat deze argumenten geen nieuwe gezichtspunten bevatten en dat de medische beoordeling juist en zorgvuldig was. De Raad benadrukte dat klachten niet automatisch objectieve beperkingen betekenen en stelde dat de belastbaarheid in de voorgestelde functies niet werd overschreden.

De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen op 4 maart 2011.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

10/4083 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2010, 08/3667 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. K.J. Korteweg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Korteweg. Het Uwv was vertegenwoordigd door
mr. M. Sluis.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit op bezwaar van 3 november 2008 heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 20 juni 2008, waarbij de WAO-uitkering van appellante, welke was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, per 20 augustus 2008 is beëindigd omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 3 november 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de rapportages van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen noch aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsartsen. De rechtbank acht verder voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening gehouden hebben met haar nek-, schouder- en knieklachten en klachten ten gevolge van dysthymie bij het opstellen van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Hierdoor zijn de geselecteerde functies niet geschikt. Bovendien is bij het selecteren van de functies geen rekening gehouden met de samenhang van deze beperkingen.
4.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met de in eerste aanleg aangevoerde gronden, geen wezenlijke nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts omtrent de arbeidsbeperkingen van appellante. De bezwaarverzekeringsarts heeft rekening gehouden met de informatie van de huisarts, internist, Mentrum, reumatoloog en neuroloog en heeft toegelicht dat deze correspondeert met de door de verzekeringsarts opgestelde FML. Hij heeft ook aangegeven dat de beperking bij directe conflicthantering verband houdt met het vermijden van stresserende werkomstandigheden. De Raad acht deze toelichting niet onjuist. De Raad wijst er voorts op dat het hebben van klachten niet hetzelfde is als het hebben van objectieve beperkingen. De (bezwaar)arbeidsdeskundige heeft afdoende toegelicht dat de belasting in de voorgehouden functies van medewerker tuinbouw (SBC 111010), produktiemedewerker voedingsmiddelen industrie (SBC 111172) en inpakker (111190) de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. De Raad stelt zich dan ook volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake en maakt deze tot de zijne.
4.2. Het hoger beroep slaagt dus niet.
4.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2011.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) M.A. van Amerongen.
JL