ECLI:NL:CRVB:2011:BP7016

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6939 WAZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAZ-uitkering na medisch deskundigenonderzoek

Appellante, arbeidsongeschikt geworden door baarmoederhalskanker, ontving sinds 2001 een WAZ-uitkering. In 2007 werd deze uitkering herzien en verlaagd van 80-100% naar 55-65% arbeidsongeschiktheid. Appellante maakte bezwaar tegen deze herziening, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit eveneens ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) de beperkingen adequaat weerspiegelde.

Op verzoek van appellante benoemde de Raad een onafhankelijke gynaecologisch oncoloog als deskundige. Deze concludeerde na onderzoek dat de restgevolgen van de kanker, waaronder ingesloten vermoeidheid, voldoende waren meegewogen in de duurbeperking van 20 uur per week zoals opgenomen in de FML. De Raad volgde het oordeel van deze deskundige, omdat er geen bijzondere omstandigheden waren om hiervan af te wijken.

De Raad oordeelde dat er geen aanleiding was om de vastgestelde belastbaarheid of de duurbeperking te wijzigen. Het hoger beroep van appellante werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WAZ-uitkering bevestigd.

Uitspraak

08/6939 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 oktober 2008, 08/499 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I. Baggerman-Scherpenisse, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Baggerman-Scherpenisse. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.C.M. Huijzer.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad het onderzoek heeft heropend.
Desgevraagd heeft prof.dr. R.H.M. Verheijen, gynaecologisch oncoloog, op 16 oktober 2010 een schriftelijk verslag van het door hem op 3 september 2010 verrichte onderzoek van appellante aan de Raad uitgebracht. Namens appellante is daarop gereageerd. Van de zijde van het Uwv is hierop gereageerd door verzekeringsarts J.C. Weegink met een rapport van 9 november 2010.
Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 21 januari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Baggerman-Scherpenisse, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is op 8 februari 1994 als gevolg van baarmoederhalskanker uitgevallen voor haar werkzaamheden als zelfstandige in een kapperszaak. Aan haar is laatstelijk per 2 januari 2001 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 1 augustus 2007 is de uitkering met ingang van 2 oktober 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
1.2. Bij besluit van 18 december 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 augustus 2007 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat uit de diverse rapportages van de (bezwaar)verzekeringsarts in voldoende mate blijkt dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat met de klachten van appellante in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) ruim voldoende rekening is gehouden.
3. Evenmin is de rechtbank gebleken dat de in de FML van 8 mei 2007 opgenomen duurbeperking van 20 uur per week onvoldoende is. Voorts heeft appellante verzocht haar te doen onderzoeken door een onafhankelijk deskundige.
4. De Raad heeft aanleiding gezien de hiervoor in I genoemde gynaecologisch oncoloog prof. dr. Verheijen als deskundige te benoemen. Deze deskundige heeft appellante op 3 september 2010 onderzocht en geconcludeerd dat de restgevolgen van de baarmoederhalskanker ingesloten vermoeidheid in voldoende mate door middel van de in de FML opgenomen duurbeperking zijn meegewogen. De deskundige kan zich verenigen met de vastgestelde belastbaarheid van appellante op de datum in geding zoals verwoord in de FML.
5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.2. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de Raad ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd. De Raad is van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding bestaat van deze hoofdregel af te wijken. Dit betekent dat voor het aannemen van een studie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden dan wel een verdergaande duurbeperking geen aanleiding bestaat. Het rapport van de deskundige acht de Raad zorgvuldig tot stand gekomen, consistent en naar behoren gemotiveerd. De Raad is voorts van oordeel dat het van de zijde van appellante nader toegezonden commentaar op het rapport van Verheijen geen ander licht werpt op medische situatie van appellante op de datum in geding.
5.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante geschikt zijn te achten.
6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.2 tot en met 5.3 volgt het dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2011.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M.A. van Amerongen.
TM