ECLI:NL:CRVB:2011:BP7028

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3349 WAZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging arbeidsongeschiktheidsbeoordeling en vergoeding griffierecht in hoger beroep

Appellante maakte bezwaar tegen de vaststelling van haar arbeidsongeschiktheid door het Uwv, welke was vastgesteld op 55-65% per 11 januari 2008. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond, vernietigde het bestreden besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen. In hoger beroep voerde appellante nieuwe medische omstandigheden aan, waaronder fibromyalgie, PTSS en een depressie, en betwistte de juistheid van de arbeidsbeperkingen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de nieuwe argumenten geen wezenlijke verandering in het oordeel rechtvaardigen. De rapporten van de bezwaarverzekeringsarts, die rekening hielden met medische gegevens en behandelingen, werden als overtuigend beschouwd. Er was geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke psychiater.

De Raad bevestigde dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling gebaseerd bleef op drie functies met voldoende arbeidsplaatsen, conform het Schattingsbesluit, ondanks het vervallen van één functie tijdens de procedure. Omdat appellante pas in hoger beroep een voldoende toelichting gaf op de signaleringen, werd het Uwv verplicht het door appellante betaalde griffierecht te vergoeden. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid van 55-65% wordt bevestigd, met vergoeding van het griffierecht aan appellante.

Uitspraak

10/3349 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 mei 2010, 09/4609 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft [naam broer], wonende te Rosmalen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2011. Appellante was vertegenwoordigd door haar broer, [naam broer], en het Uwv door drs. M. Wiertz.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Op 11 mei 2009 heeft het Uwv appellante bericht dat haar mate van arbeidsongeschiktheid per 11 januari 2008 ongewijzigd blijft vastgesteld naar een mate van 55-65%.
1.2. Bij besluit op bezwaar van 15 september 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Zij waren op de hoogte van de klachten, waaronder naast de lichamelijke klachten ook de psychische klachten alsmede de moeilijke sociale omstandigheden. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat eerst in beroep de signaleringen bij de geduide functies zijn toegelicht. De rechtbank is gelet op deze toelichting voldoende overtuigd dat deze functies voor appellante geschikt zijn.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen deskundige heeft benoemd. Zij lijdt aan fibromyalgie en gebruikte Ritalin omdat men dacht dat zij aan ADHD leed. Inmiddels is vastgesteld dat waarschijnlijk geen sprake is van ADHD maar van PTSS en een depressie. In verband met huiselijk geweld heeft zij een nekoperatie ondergaan. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij informatie over (de bijwerkingen van) Ritalin, een brief van psychiater G.P.M. de Bruyn van 5 augustus 2010, een behandelplan van GGZ en diverse andere stukken ingebracht.
4.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen wezenlijke nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen redenen om het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts omtrent de arbeidsbeperkingen van appellante voor onjuist te houden. De bezwaarverzekeringsarts heeft rekening gehouden met de informatie van de huisarts en gereageerd op de door appellante ingebrachte stukken. In zijn rapport van 9 juli 2010 is hij ingegaan op de bijwerkingen van Ritalin en heeft uiteengezet welke beperkingen daarvoor zijn aangenomen. In zijn rapport van 2 september 2010 heeft hij aangegeven dat op de datum in geding, 11 januari 2008, geen sprake was van een ernstige depressie en dat op psychisch gebied beperkingen zijn vastgesteld. Hij heeft er daarbij onder meer op gewezen dat er langere tijd (van circa 2005 tot 2009) geen behandeling in de GGZ geweest. De Raad acht deze toelichting overtuigend. Ter zitting bij de Raad is zijdens appellante bevestigd dat zij begin 2008 niet onder behandeling van een psychiater was. Gelet op het vorenstaande ziet de Raad geen reden om een onafhankelijke psychiater te raadplegen.
4.2. Met betrekking tot de aan appellante voorgehouden functies overweegt de Raad dat tijdens de hoger beroepsprocedure de functie productiemedewerker industrie is vervallen. De geschiktheid van de functie wikkelaar (SBC-code 267050) is in hoger beroep nader toegelicht. De Raad acht deze toelichting voldoende. Voorts acht de Raad appellante in staat de functies productiemedewerker textiel (272043) en elektronicamonteur (267040) te vervullen. De arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is dan ook nog steeds gebaseerd op drie functies met voldoende arbeidsplaatsen en voldoet aan de eisen van het Schattingsbesluit. Nu pas in hoger beroep een voldoende toelichting van alle signaleringen is gegeven zal de Raad bepalen dat het Uwv aan appellante het griffierecht vergoedt.
4.3. Het hoger beroep slaagt niet.
5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 111,= vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2011.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) M.A. van Amerongen.
JL