ECLI:NL:CRVB:2011:BP7232
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R.H.M. Roelofs
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking bijstandsuitkering wegens onvoldoende grondslag autohandel en detentieperiode
Appellant ontving sinds 13 juli 2004 bijstand op grond van de WWB. Het College van burgemeester en wethouders van Weert trok de bijstand in per 12 april 2005 en vorderde de kosten terug over de periode tot 21 januari 2007, op basis van vermeende doorlopende autohandel en het niet melden van zelfstandige ondernemerschap. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat hoewel kentekens op naam van appellant stonden, er geen voldoende aanwijzingen waren voor doorlopende autohandel. Tevens was appellant van 21 augustus tot 14 september 2006 gedetineerd, waardoor hij geen recht op bijstand had volgens artikel 13 WWB Pro. Het College had onvoldoende feitelijke grondslag voor de intrekking over de gehele periode.
De Raad oordeelde dat het College de intrekking niet had mogen baseren op het niet melden van doorlopende handel en dat het beroep gegrond moest worden verklaard. Het College werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de bevindingen, waaronder het erkennen van de detentieperiode en het ontbreken van bewijs voor voortdurende autohandel. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd.